Addenum 2013

5
Concept ADDENDUM Richtlijn Morbide
Obesitas
Anesthesie bij Morbide Obesitas en Bariatrische ingrepen
10
15
20
INITIATIEF
Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
2
Colofon
ADDENDUM Richtlijn Morbide Obesitas
© 2013
Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie 5 (NVA)
Postbus 20063, 3502 LB Utrecht
Tel. 030 – 28 23 385
Email: nva@anesthesiologie.nl
Website: www.anesthesiologie.nl
10
15
20
25
30
Alle rechten voorbehouden.
De tekst uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
35 gegevensbestand, of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch,
mechanisch door fotokopieën of enige andere manier, echter uitsluitend na voorafgaande
toestemming van de uitgever. Toestemming voor gebruik van tekst(gedeelten) kunt u
schriftelijk of per e-mail en uitsluitend bij de uitgever aanvragen.
40 De Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie(NVA) is een wetenschappelijke vereniging
van en voor anesthesiologen, zij behartigt de belangen van haar leden en draagt bij aan een
positief imago van de anesthesiologie en de anesthesiologen in ons land.
De afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten
45 adviseert de wetenschappelijke verenigingen op het gebied van kwaliteitsbeleid, de
ontwikkeling van richtlijnen, indicatoren en visitatiemethodiek.
3
Inhoudsopgave
Samenvatting ………………………………………………………………………………………………………………. 4
Samenstelling van de werkgroep …………………………………………………………………………………… 6
Hoofdstuk 1 Algemene inleiding ………………………………………………………………………………. 5 7
Hoofdstuk 2 Randvoorwaarden voor bariatrische ingrepen……………………………………….. 12
Hoofdstuk 3 Preoperatief beleid …………………………………………………………………………….. 14
3.1 Longfunctie ………………………………………………………………………………………………….. 15
3.2 Cardiovasculair …………………………………………………………………………………………….. 18
10 3.3 Diabetes mellitus ………………………………………………………………………………………….. 19
3.4 Laboratoriumonderzoek ……………………………………………………………………………….. 20
3.5 Trombose profylaxe ……………………………………………………………………………………… 21
3.6 Anitbiotica profylaxe …………………………………………………………………………………….. 23
3.7 Premedicatie ……………………………………………………………………………………………….. 24
15 3.8 De moeilijke luchtweg …………………………………………………………………………………… 25
Hoofdstuk 4 Peroperatief beleid …………………………………………………………………………….. 31
Hoofdstuk 5 Postoperatief beleid …………………………………………………………………………… 36
Hoofdstuk 6 Afdelingsbeleid ………………………………………………………………………………….. 43
Bijlage 1 Zoekverantwoording systematische literatuursearch ……………………………………. 45
20
4
Samenvatting
Bariatrische ingrepen in de Morbide Obese patiënt vormen een uitdaging voor alle betrokken
hulpverleners. Door te werken met ervaren teams die goed onderling communiceren 5 en die
volgens een vast protocol werken, worden de risico’s op complicaties voor deze patiënten zo
laag mogelijk gehouden.
Bariatrische ingrepen dienen alleen plaats te vinden in ziekenhuizen met een voldoende
10 volume aan ingrepen met speciaal daarvoor opgeleide specialisten die niet alleen de
operaties kunnen uitvoeren, maar ook de eventuele complicaties en de gevolgen van die
complicaties kunnen behandelen.
Dit addendum is daarom bedoeld als aanvullend hoofdstuk bij de richtlijn “Morbide
15 Obesitas”, zoals deze door de NVvH is ontwikkeld.
Anesthesiologische aanbevelingen
Preoperatieve screening bestaat tenminste uit: anamnese en klinische evaluatie,
20 gebruikmakend van STOP-BANG methode en een ECG.
Indien STOP-BANG meer dan vijf Ja’s geeft, wordt geadviseerd de patiënt door te sturen naar
de longarts om OSAS te bevestigen met behulp van polysomnografie eventueel aangevuld
met een bloedgas analyse.
25
Een cardiologisch consult vindt plaats op indicatie.
Glucose en het Hb worden bepaald op indicatie.
30 De patiënt wordt geadviseerd het roken te staken minimaal zes weken voor de operatie.
Anticoagulantia zijn geïndiceerd bij ingrepen langer dan twee uur en waarbij de patiënt
postoperatief niet direct kan mobiliseren. Gebruik van sequentiële compressie kousen wordt
hier geadviseerd.
35
Indien er trombose profylaxe nodig is wordt geadviseerd de eerste gift binnen zes tot tien
uur na de operatie toe te dienen. Het advies is om minimaal vier weken postoperatief door te
gaan.
40 Voorspellers voor een moeilijke intubatie zijn: een nekomvang >43 cm, het mannelijke
geslacht en een hoge Mallampatie score.
Bij patiënten met OSAS kan het perioperatief toepassen van CPAP hypoxische complicaties in
obese patiënten voorkomen.
5
Premedicatie met sedativa wordt afgeraden.
Een juiste positionering op de operatietafel (HELP) is zeer belangrijk ter voorkoming van een
moeilijke luchtweg en hypoxie 5 na inductie.
Peroperatief wordt “het open longconcept” toegepast.
Het postoperatieve pijnbeleid moet multimodaal zijn (lokale infiltratie, paracetamol,
10 kortwerkende opiaten, epidurale anesthesie) en er op gericht zijn zo weinig mogelijk opiaten
te gebruiken ter voorkoming van postoperatieve hypoxie, zeker bij patiënten met een
positieve OSAS anamnese.
Het postoperatief beleid moet bestaan uit snelle mobilisatie en extra O2 voor de nacht met
15 saturatie bewaking, totdat de patiënt volledig mobiliseert en geen opiaten meer gebruikt.
6
Samenstelling van de werkgroep
– Dhr. T.A. Brouwer, Medisch Centrum Leeuwarden, Leeuwarden
– Dhr. R.C. Mebus, Medisch Centrum Leeuwarden, 5 Leeuwarden
– NVA Commissie Richtlijnen en Indicatoren, onder voorzitterschap van mevr. A.
Schuurhuis
10 Met ondersteuning van
– Mevr. dr. M.L. Molag, Orde van Medisch Specialisten
Financiering
15 De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch
Specialisten (SKMS)
7
Hoofdstuk 1 Algemene inleiding
Aanleiding voor het maken een addendum op de richtlijn
Dit addendum over de anesthesiologische aspecten van bariatrische chirurgie 5 is geschreven
nadat de Nederlands Vereniging van Heelkunde (NVvH) in samenwerking met de
Nederlandse Internisten Vereniging (NIV), de Nederlands Vereniging van Maag-Darm-
Leverartsen (NVMDL), de Nederlandse Vereniging van Gastro-Intestinale Chirurgie (NVGIC)
en het Nederlandse Instituut voor Psychologen (NIP) met ondersteuning van de Orde van
10 Medisch Specialisten (OMS) een concept richtlijn Morbide Obesitas aan de NVA heeft
voorgelegd.
De NVA werd gevraagd om commentaar te geven op deze richtlijn. In reactie werd een
addendum anesthesie geschreven, omdat het hierbij gaat om complexe chirurgie waarbij de
uitkomst van de operatie staat en valt met een multidisciplinaire benadering. Dit addendum
15 is daarom bedoeld als aanvullend hoofdstuk bij de richtlijn “Morbide Obesitas”, zoals deze
door de NVvH is ontwikkeld.
Definitie en doelstelling van de richtlijn
20 Een richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse
praktijkvoering. In de conclusies wordt aangegeven wat de wetenschappelijke stand van
zaken is. De aanbevelingen zijn gericht op het expliciteren van optimaal medisch handelen en
zijn gebaseerd op resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overwegingen van de
werkgroep. Deze richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk.
25 Het doel van de huidige richtlijn is inzicht geven in de volgende punten:
– randvoorwaarden voor bariatrische ingrepen;
– preoperatief beleid met betrekking tot longfunctie, hart- en vaatziekten, diabetes
mellitus, laboratoriumonderzoek, trombose profylaxe, antibiotica profylaxe,
premedicatie en de moeilijke luchtweg;
30 – peroperatief beleid;
– postoperatief beleid.
Richtlijngebruikers
35 Deze richtlijn richt zich op alle specialisten betrokken bij de chirurgische behandeling van
morbide obesitas en bariatrische chirurgie en is primair geschreven voor chirurgen,
anesthesiologen, internisten, endocrinologen en psychiaters.
40 Probleemomschrijving en afbakening
Morbide obesitas heeft een grote invloed op de werkwijze van de anesthesioloog door de
geassocieerde verandering in de pulmonale, cardiovasculaire en gastro-intestinale fysiologie
die samenhangen met (ernstig) overgewicht. Daarnaast is deze patiëntengroep lastiger te
behandelen als gevolg van anesthesie gerelateerde procedures, zoals een moeilijke luchtweg,
45 positionering op de OK-tafel en het toepassen van regionale technieken.
8
Morbide obesitas gaat gepaard met co-morbiditeit, zoals centraal en perifeer vaatlijden,
verhoogde GE reflux, galsteenlijden en leververvetting, hypertensie, OSAS, COPD, diabetes
mellitus, het zogenaamde Metabool Syndroom en voedingsdeficiënties. Daarom is het
noodzakelijk in het preoperatief anesthesiologisch onderzoek te zoeken naar cardiovasculaire
en pulmonale afwijkingen en informatie te verkrijgen over de voedingstoestand 5 en mogelijke
voedingsdeficiënties van de patiënt.
Morbide obese patiënten worden verdeeld in twee verschillende types. Het Androïde type
(appelvormig – meer gewicht boven de middel) heeft een hogere kans op cardiovasculaire
10 afwijkingen en kans op het Metabool Syndroom (meer intra-abdominaal en vooral visceraal
vet, hypertensie, insuline ongevoeligheid, verhoogde kans op inflammatie en tromboembolische
processen). De kans op een moeilijke luchtweg en peroperatieve
beademingsproblemen is in deze patiëntengroep eveneens verhoogd. Het tweede type is het
Gynaecoïde type (peervormig – meer gewicht beneden de middel) met minder kans op co15
morbiditeit en een kleinere kans op een moeilijk toegankelijke luchtweg en
beademingsproblemen. Terecht wordt vaak gesteld dat bij morbide obesitas alleen deze
perifere verdeling niet voorkomt, tenzij misschien bij de Pygmeeen. Ook wordt het meten
van de middel-omtrek bij dit soort zwaargewichten als niet meer belangrijk en er-niet-meertoe-
doend beschouwd.
20
Gezien het toenemend aantal bariatrische ingrepen raken steeds meer anesthesiologen
betrokken bij de bariatrische chirurgie. Deze richtlijn kan een houvast geven hoe om te gaan
met deze patiëntengroep bij de anesthesie tijdens bariatrische chirurgie. Van de richtlijn mag
gefundeerd worden afgeweken.
25
Definities
OSAS Obstructief Slaap Apneu Syndroom;
CPAP Continuous Positive Airway Pressure;
COPD Chronic Obstructive Pulmonary Disease;
30 BMI Body Mass Index;
NICE National Institute for Health en Clinical Excellence.
Samenstelling werkgroep
35 Voor het ontwikkelen van de richtlijn is vanuit de Commissie Richtlijnen en Indicatoren van
de NVA in 2011 een kleine werkgroep ingesteld, (zie hiervoor de samenstelling van de
werkgroep).
In samenwerking met de andere leden van de Commissie Richtlijnen en Indicatoren en
40 specialisten op het gebied van anesthesie bij bariatrische chirurgie, is een uiteindelijke versie
tot stand gekomen. De Commissie Richtlijnen en Indicatoren van de NVA is verantwoordelijk
voor de tekst van het addendum.
9
Werkwijze werkgroep
De werkgroep werkte gedurende een jaar aan de totstandkoming van dit addendum. Op
basis van eerder verschenen richtlijnen en een systematische zoektocht naar recente
literatuur werd bruikbare informatie over anesthesie bij bariatrische ingrepen gedestilleerd.
Vervolgens werd deze informatie aan de hand van eigen expertise aangepast 5 en werden
praktische onderdelen toegevoegd. De uiteindelijke tekst is door enkele specialisten op dit
gebied kritisch beschouwd en waar nodig inhoudelijk aangepast.
Methode richtlijnontwikkeling
10 Deze richtlijn is opgesteld aan de hand van het “Appraisal of Guidelines for Research &
Evaluation II” (AGREE II) instrument (www.agreecollaboration.org). Dit is een breed
internationaal geaccepteerd instrument voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.
Het niveau van de bewijslast, zie verder, en de sterkte van de aanbeveling zijn bepaald
volgens de methode beschreven in het boek “Evidence-based richtlijnontwikkeling”.
15
Strategie voor zoeken naar en selectie van literatuur
Er werd oriënterend gezocht naar bestaande recente richtlijnen via Artsennet,
Kwaliteitskoepel en Guidelines International Network en naar systematische reviews via
Medline (OVID). Daarnaast werd een systematische search verricht gericht op
20 anesthesiologische complicaties bij morbide obesitas chirurgie. Voor de paragraven 3.5
trombose, 3.6 antibiotica profylaxe en hoofdstuk 5 postoperatieve pijn, werden
systematische literatuursearches verricht. Hierbij werd gezocht in de volgende elektronische
databases: Medline (OVID), Cochrane (Wiley) en Embase (Elsevier) (zie bijlage 1). De searches
werden beperkt naar de talen Engels en Nederlands. De resultaten werden waar gewenst
25 met sensitieve zoekfilters beperkt tot mogelijke systematische reviews en gerandomiseerd
klinisch onderzoek. De werkgroep beoordeelde elke geselecteerde studie systematisch op
methodologische kwaliteit op basis van de indeling in tabel 1.1. De overige hoofdstukken
werden op basis van consensus geschreven. Hierbij werd gebruik gemaakt van de richtlijnen
Richtlijn Morbide Obesitas (NVvH, 2011), Best Practice Recommendations for Anesthetic
30 Perioperative Care and Pain Management in Weight Loss Surgery (Schumann et al., 2005) en
Preoperative evaluation of the adult patient undergoing non-cardiac surgery: guidelines from
the European Society of Anaesthesiology (De Hert et al., 2011). Ook de boeken van Leykin et
al., (2012) en Alvarez et al., (2010) werden gebruikt.
35
10
Tabel 1.1 Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies
Bewijs
niveau
Diagnostisch accuratesse onderzoek Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose
A1 Systematische review / meta-analyse van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde
onderzoeken van A2-niveau
A2 Onderzoek ten opzichte van een referentietest
(‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde
afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling
van resultaten, met voldoende grote serie van
opeenvolgende patiënten die allen de index- en
referentietest hebben gehad
Prospectief cohort onderzoek van voldoende
omvang en follow-up, waarbij adequaat
gecontroleerd is voor ‘confounding’ en
selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.
B Onderzoek ten opzichte van een referentietest,
maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn
genoemd
Prospectief cohort onderzoek, maar niet met
alle kenmerken als genoemd onder A2 of
retrospectief cohort onderzoek of
patiëntcontrole onderzoek
C Niet-vergelijkend onderzoek
D Mening van deskundigen
De evidencetabellen per uitgangsvraag zijn opgenomen in bijlage 1. Studies werden
individueel ingedeeld naar niveau van bewijs op basis van hun eerdere kwaliteitsbeoordeling
(zie tabel 1.2). Studies van niveau A1 hebben de hoogste mate van bewijs 5 en niveau D staat
voor de laagste bewijskracht. De indeling vindt u in de richtlijntekst terug onder het kopje
‘conclusie’.
Tabel 1.2 Conclusie ten grondslag liggend bewijs
Niveau Conclusie gebaseerd op
1 Onderzoek van niveau A1 of tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van
niveau A2.
(Het is aangetoond dat…)
2 Eén onderzoek van niveau A2 of tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van
niveau B.
(Het is aannemelijk dat…)
3 Eén onderzoek van niveau B of C.
(Er zijn aanwijzingen dat…)
4 Mening van deskundigen.
(De werkgroep is van mening dat…)
10
Overwegingen
Voor een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs nog andere aspecten van
belang, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten,
beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische facetten. Deze aspecten worden,
15 voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘overwegingen’.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het
beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen.
11
Voor elke interventie werd een balans opgemaakt van voor- en nadelen voor de patiënt, aan
de hand van het wetenschappelijke bewijs en bijbehorende overwegingen. Op basis van het
niveau van de bewijslast, de voor- en nadelen van elke interventie en de overwegingen,
formuleerde de werkgroep een aanbeveling.
5
Implementatie
In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is geprobeerd rekening te houden met
de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen.
10 Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk
kunnen bevorderen of belemmeren. De definitieve richtlijn is te downloaden vanaf de
website www.kwaliteitskoepel.nl. Daarnaast zullen alle relevante beroepsgroepen en
ziekenhuizen geïnformeerd worden over de richtlijn.
15 Juridische betekenis van richtlijnen
Richtlijnen bevatten geen wettelijke voorschriften, maar aanbevelingen die zoveel mogelijk
op bewijs gebaseerd zijn. Zorgverleners kunnen aan de aanbevelingen voldoen in het streven
kwalitatief goede of ‘optimale’ zorg te verlenen. Omdat deze aanbevelingen gebaseerd zijn
op ‘algemeen bewijs voor optimale zorg’ en de inzichten van de werkgroep hierover, kunnen
20 zorgverleners op basis van hun professionele autonomie zo nodig in individuele gevallen
afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist,
zelfs noodzakelijk. Wanneer van deze richtlijn wordt afgeweken is het verstandig om dit
beargumenteerd en gedocumenteerd, en waar relevant in overleg met de patiënt, te doen.
25
Herziening
Uiterlijk in 2018 bepaalt het bestuur van de NVA of dit addendum nog actueel is. Zo nodig
wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om dit addendum te herzien. De geldigheid van
dit addendum komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn om een
30 herzieningstraject te starten.
Literatuur
Alvarez, A., Brodsky, J.B., Lemmens, H.J.M., & Morton, J.M. (2010). Morbid Obesity: Peri-operative Management,
35 Second Edition. Cambridge: Cambridge Medicine.
Hert, S. de, Imberger, G., Carlisle, J., Diemunsch, P., Fritsch, G., Moppett, I., … Smith, A. (2011). Preoperative evaluation
of the adult patient undergoing non-cardiac surgery: guidelines from the European Society of Anaesthesiology. Eur
J Anesthesiol, 28, 684-722.
Leykin, Y., & Brodsky, J. (2012). Controversies in the Anesthetic Management of the Obese Surgical Patient. Italië:
40 Springer.
Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (2011). Richtlijn Morbide Obesitas. Geraadpleegd via
http://www.nvdietist.nl/temp/1043452695/Richtlijn-morbide-obesitas-final.pdf.
Schumann, R., Jones, S.B., Ortiz, V.E., Connor, K., Pulai, I., Ozawa, E.T., … Carr, D.B. (2005). Best Practice
Recommendations for Anesthetic Perioperative Care and Pain Management in Weight Loss Surgery. Obesity
45 Research, 13, 254-266.
12
Hoofdstuk 2 Randvoorwaarden voor bariatrische ingrepen
Uitgangsvraag:
Kan elk ziekenhuis zomaar beginnen met bariatrische 5 ingrepen?
Inleiding
Een ziekenhuis dat zich wil specialiseren in bariatrische chirurgie heeft niet genoeg aan een
10 chirurg die de ingreep beheerst; dat heeft de geschiedenis ons geleerd. Een multidisciplinaire
aanpak bij dit type chirurgie is een vereiste. De vraag rijst dan of men in het ziekenhuis
eventuele complicatie kan behandelen of reoperaties kan uitvoeren. Tevens speelt
momenteel een rol dat de NVvH in samenwerking met de Inspectie voor Gezondheidszorg
(IGZ) en de Zorgverzekeraars Nederland (ZN) een relatie hebben gelegd bij sommige
15 operaties tussen kwaliteit en het aantal ingrepen; de “volumenorm”. Mogelijk geldt dit
binnenkort ook voor de bariatrische chirurgie.
Een Centrum voor Bariatrie dient te bestaan uit een team van in bariatrie gespecialiseerde en
geïnteresseerde artsen, verpleegkundigen en paramedici (anesthesiologen, chirurgen,
20 internisten, intensivisten, psychologen, diëtisten, fysiotherapeuten, nurse-practitioner, of
physician-assistants, casemanagers en afdelingsverpleegkundigen), om deze patiënten te
screenen, te begeleiden en te behandelen rond het ondergaan van bariatrische chirurgie en
erna.
Het operatiecentrum moet ingericht zijn om de morbide obese patiënten te behandelen
25 (maximum draaggewicht operatietafel, sequentiële compressie sleeves, juiste beenhouders
en kussens, geschikte laparoscopische instrumentarium). Het wordt aangeraden deze
operaties uit te voeren met een “toegewijd (dedicated) team” dat grote ervaring heeft in de
uitvoering van bariatrische chirurgie. Ook op de afdeling moet het personeel ervaring hebben
met deze patiëntengroep en moet de afdeling zijn ingericht om deze patiënten postoperatief
30 te verplegen (bedden op maat, stoelen op maat, eventueel tilliften, CPAP maskers,
zuurstofsaturatiebewaking).
Anesthesiologisch moet op de OK beschikbaar zijn:
a instrumentaria voor de moeilijke luchtweg, zoals een videolaryngoscoop (bijvoorbeeld
35 Glidescoop), een flexibele bronchoscoop, Gummi Elastic Bougie en Intubating Laryngeal
Mask (ILMA);
b een ECHO apparaat voor het prikken van een infuusnaald, arterie- en centrale lijn;
c langere epiduraalnaalden (12 en 15 cm);
d verwarmingsmateriaal;
40 e sequentiële compressie kousen met pomp;
f goed positioneringmateriaal.
De aanwezigheid van de antagonist voor de spierverslapping, Sugammadex (Bridion®), is niet
alleen aan het einde van de ingreep sterk aan te raden, maar ook om de spierverslapping
45 zeer snel te antagoneren bij de “onverwacht” moeilijke luchtweg.
13
De zorg voor deze patiënten staat of valt met goede voorbereiding, onderwijs/voorlichting,
communicatie, toewijding en de juiste uitrusting.
5 Aanbevelingen
Bariatrische chirurgie dient bij voorkeur plaats te vinden in centra die zich gespecialiseerd
hebben in dit type chirurgie.
Het verdient aanbeveling te werken met gespecialiseerde teams.
10
Het ziekenhuis moet toegerust zijn om deze patiënten te kunnen behandelen, dit houdt dat
essentiële materialen aanwezig zullen moeten zijn op de OK (onder andere juiste OK-tafels,
apparatuur voor de moeilijke luchtweg, echoapparatuur en positioneringsmateriaal) en op de
afdeling (onder andere grotere bedden, speciale stoelen, tillift en saturatiebewaking) en dat
15 de verpleegkundige zorg is opgeleid.
Literatuurlijst
Alvarez, A., Brodsky, J.B., Lemmens, H.J.M., & Morton, J.M. (2010). Morbid Obesity: Peri-operative Management,
20 Second Edition. Cambridge: Cambridge Medicine.
Leykin, Y., & Brodsky, J. (2012). Controversies in the Anesthetic Management of the Obese Surgical Patient. Italië:
Springer.
Schumann, R., Jones, S.B., Cooper, B., Kelley, S.D., Bosch, M.V., Ortiz, V.E., … Carr, D.B. (2009). Update on best practice
recommendations for ansthetic perioperative care and pain management in weight loss surgery 2004-2007.
25 Obesity (Silver Spring), 17 (5), 889-94.
14
Hoofdstuk 3 Preoperatief beleid
Uitgangsvraag:
Welk preoperatief onderzoek heeft een anesthesioloog 5 nodig?
Inleiding
Moet elke patiënt preoperatief volledig in kaart gebracht worden?
10
Voor alle morbide obese (MO) patiënten die een operatie moeten ondergaan is een bepaalde
mate van “wantrouwen” noodzakelijk. Gezocht wordt naar mogelijke afwijkingen in de
anamnese en het lichamelijk onderzoek, wat mogelijk kan leiden tot een ongunstig beloop.
De kans op overlijden rondom bariatrische chirurgie is <1%. De belangrijkste oorzaken van 15 overlijden zijn longembolie (30%), cardiaal (27%) en lekkage van de anastomose (21%). Vanuit Amerika is er een Obesity Surgery Mortality Risk Score (OS-MRS) ontwikkelt die bestaat uit vier variabelen: - BMI >50;
20 – mannelijk geslacht;
– hypertensie;
– kans op longembolie (DVT in VG, rechter hartfalen).
Een mogelijk vijfde variabele is leeftijd ouder dan 45 jaar.
25 Aanwezigheid van één variabele levert één punt op en zoveel te meer punten zoveel te hoger
het risico (score 0 tot 5).
Belangrijke patiëntfactoren zijn hier de duur van de ziekte; zoveel meer jaren morbide obese,
zoveel meer kans op (ernstige) co-morbiditeit (hartfalen, OSAS, type 2 diabetes). Hier valt uit
30 af te leiden dat de jongere patiënt een hogere overlevingskans heeft. Mannen vormen een
hogere risico groep dan vrouwen, alhoewel zij een veel kleiner aandeel vormen (25%) van het
aantal geopereerde patiënten die een maagverkleining hebben ondergaan. Mannen zijn in
het algemeen zwaarder, hebben meer intra-peritoneaal vet (Androïde type), meer kans op
bovenste luchtweg obstructie en vaker een ernstige vorm van co-morbiditeit.
35
Preoperatieve evaluatie door de anesthesioloog vindt plaats tijdens de anesthesiologische
screening op de polikliniek, ruim voordat de ingreep gaat plaatsvinden en nadat de patiënt is
beoordeeld door een chirurg en een team van internisten en psychologen. Zij hebben de
geschiktheid van de patiënt voor de bariatrische ingreep beoordeeld. De anesthesioloog
40 beoordeelt de indicatie, inventariseert de risicofactoren en co-morbiditeit, vraagt eventueel
een consult aan bij de longarts of cardioloog, beoordeelt de labuitslagen en het ECG en
probeert de conditie van de patiënt preoperatief te optimaliseren. Daarnaast informeert
hij/zij de patiënt over de anesthesietechnieken die toegepast zullen worden, over de risico’s
van de operatie en het postoperatieve beleid.
45
15
Het doel van het preoperatief onderzoek is om op een systematische basis de
gezondheidstoestand van de patiënt te inventariseren om het perioperatieve beloop zo
optimaal mogelijk te laten verlopen. Er is geen bewijs dat bepaalde specifieke onderzoeken
bij alle morbide obese patiënten moet plaatsvinden behoudens het toepassen 5 van de STOPBang
score in de anamnese. Onnodige extra onderzoeken zijn niet wenselijk en niet efficiënt
qua tijd en geld investering.
10 3.1 Longfunctie
Uitgangsvraag:
Is standaard longfunctie onderzoek en een consult van de longarts nodig?
15
Inleiding
Obesitaspatiënten hebben een veranderde longfunctie met een kleiner teugvolume (Vt),
hogere ademfrequentie (AF), een verminderde functionele residuale capaciteit (FRC) en
expiratoir reserve volume (ERV). Het Vt daalt tot beneden het “closing volume”, waardoor bij
20 elke ademteug een deel van de long opnieuw “geopend” moet worden (McClean et al.,
2008). Door bovenstaande factoren kan de ademarbeid tot >70% zijn toegenomen met een
viermaal zo hoog zuurstof verbruik. Deze getallen nemen nog verder toe bij het stijgen van
de BMI. Patiënten met een BMI van >49 hebben naast klinische dyspneu ook een significant
hogere PaCO2 en lagere PaO2 waarde (Kutcha, 2005; Zavorsky et al., 2008). De daling van de
25 Forced Expired Volume in één seconde (FEV1) is omgekeerd evenredig met het stijgen van de
BMI. De FEV1 blijkt een onafhankelijke voorspeller te zijn voor de kans op overlijden
(McClean).
Het OSAS komt frequent voor bij de obese patiënt (>70%), zeker indien de BMI toeneemt
30 (Kutcha). Helaas wordt het vaak niet herkend of wordt er niet naar gevraagd. Voorspellende
factoren voor OSAS zijn:
1 slaapapneu met slaperigheid overdag (apneu-hypoventilatie index >15);
2 het mannelijk geslacht;
3 hypertensie
35 4 BMI >49;
5 de ernst en duur van diabetes mellitus.
Een nekomvang >43 cm is een onafhankelijk voorspeller voor een verhoogde kans op OSAS.
Additionele risicofactoren voor OSAS zijn roken en leeftijd (>55 jaar) (Hamoui et al., 2010;
40 Chung et al., 2008b; Crummy et al., 2008).
Obesitas Hypoventilatie Syndroom (Pickwick syndroom)
Het obesitas hypoventilatie syndroom (OHS) is een belangrijke complicatie van ernstig
overgewicht en kan naast of samen met OSAS bestaan en leidt tot een verhoogd sterfte
45 risico. OHS bestaat uit chronische alveolaire hypoventilatie overdag met daarbij een gemeten
PaCo2 > 45 mmHg (6 KPa) en een PaO2 < 70 mmHg (9,3 KPa). Er mogen geen andere 16 oorzaken aanwijsbaar zijn voor de alveolaire hypoventilatie. 90% Van de patiënten met OHS heeft ook OSAS. Klinische verschijnselen zijn moeheid, hypersomnomlentie en ochtendhoofdpijn. De behandeling bestaat uit chronische niet-invasieve positieve drukbeademing waarbij er tevens gewichtsreduktie moet plaatsvinden om een succesvol resultaat 5 te bereiken. Bij patiënten die verdacht worden voor OHS moet dus een bloedgas gedaan worden om de diagnose te bevestigen (naast de STOP-Bang vragenlijst). 10 Apneu/hypopneu index (AHI) classificatie Apneu/hypopneu index (AHI) classificatie beschrijft het totaal aantal apneu of hypopneu episodes gedeeld door de totale slaaptijd in uren (Crummy). apneu complete stop van luchtstroom gedurende ≥10s; 15 hypopneu 50% reductie in luchtstroom gedurende ≥10s; gering AHI 5 tot 15 gebeurtenissen per uur; matig AHI 15 tot 30 gebeurtenissen per uur; ernstig AHI >30 gebeurtenissen per uur.
20 Om de aanwezigheid van OSAS in te schatten kan een vaste vragenlijst met vragen over het
cardiopulmonale systeem worden gebruikt (STOP-BANG) (Chung et al., 2008a). Vervolgens
kan een polysomnografie test worden gedaan en kan de zuurstofsaturatie in rust en tijdens
de slaap worden gemeten om de diagnose te bevestigen. Het meten van de nekomvang kan
gebruikt worden als een onafhankelijke voorspeller voor apneus en de moeilijke luchtweg.
25 Ter voorkoming van complicaties door hypoxie wordt geadviseerd CPAP toe te passen. Het
ruim voor de operatie starten van CPAP verlaagt de kans op pulmonale problemen, doordat
apneus voorkomen worden (Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en
Tuberculose, 2009). Het vermindert tevens de stressrespons van het cardiovasculaire
systeem met als gevolg normalisering van de bloeddruk en afterload van het hart (Golbin et
30 al., 2008). In de meeste literatuur wordt vermeld dat de gunstige effecten van CPAP na acht
weken zichtbaar zijn, maar er is geen literatuur en consensus hoe ver voor de operatie er
gestart moet worden met CPAP. Daarnaast is de compliantie van de patiënten om CPAP vol
te houden relatief laag (rond de 50%) (Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten
en Tuberculose; Golbin; Shivalkar et al., 2006).
35
De anesthesioloog vraagt, preoperatief op de poli, gericht naar aanwijzingen voor het
bestaan van apneus, hypoventilatie en/of OSAS met behulp van de STOP-BANG vragenlijst of
een andere vragenlijst die hiervoor gebruikt kan worden.
40 STOP-BANG vragenlijst:
S(nore) Snurkt u? Snurkt u luid (andere kamer te horen)?
T(ired) Bent u overdag moe? Valt u overdag zomaar in slaap tijdens TV
kijken/krant lezen?
O(bserved) Heeft u partner gemerkt dat u stopt met ademen tijdens de slaap?
45 Blood P(ressure) Bent u bekend met een hoge bloeddruk?
17
B(ody Mass Index) >35 kg/m2?
A(ge) >50 jaar?
N(eck omvang) >40 bij vrouwen, 43 cm bij mannen?
G(ender male) mannelijk geslacht?
5
Met meer dan vijf ja’s met STOP-BANG heeft patiënt een grote kans op OSAS (Chung, 2008a).
Astma en overgewicht
De incidentie van astma is in morbide obesitas patiënten met 50% toegenomen. Beide zijn
10 systemisch inflammatoire ziektes met verhoogde pro-inflammatoire hormonen zoals leptine,
interleukine-6, TNF en C-reactief eiwit die aanleiding kunnen geven tot verhoogde bronchiale
hyperreactiviteit. Gewichtsvermindering geeft een zeer duidelijke vermindering van de astma
klachten. Preoperatieve voorbereiding met een bronchusverwijder kan de peroperatieve
hyperreactiviteit verlagen (Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, 2012).
15
Effect van roken
In het algemeen hebben patiënten die roken een verhoogde kans op een gestoorde
wondgenezing en verhoogde kans op een wondinfectie. Mogelijk heeft roken ook een effect
20 op de genezing van de darmnaad door een verlaging van de arteriële PO2. Stoppen met roken
heeft dus een gunstig effect op de wondgenezing en de longfunctie, zeker in de morbide
obese patiënt (Møller et al., 2005; Theadom et al., 2006; Thomson et al., 2010).
25 Aanbevelingen
Routinematig longfunctie onderzoek is niet geïndiceerd.
Routinematig X-thorax is niet geïndiceerd, maar wordt soms aanbevolen om als
uitgangssituatie te dienen.
30
Indien sprake is van een matige tot ernstige longfunctiestoornis (astma, COPD) kan tijdens de
opname gestart worden met vernevelen (Combivent) en ademhalingstechniek oefeningen.
Consult longarts kan overwogen worden (zie richtlijn Pulmonaal Belaste Patiënt).
35
Advies is te stoppen met roken; minimaal vier weken voor de operatie.
Verder onderzoek en behandeling, zoals polysomnografie, inspanningstesten en bloedgas
analyse, kan nodig zijn bij een score van >5 in de STOP-BANG om OSAS te bevestigen. Een
40 consult van de longarts is dan geïndiceerd. Eventueel wordt er preoperatief gestart met CPAP
en bronchusverwijders op advies van de longarts.
18
3.2 Cardiovasculair
Uitgangsvraag:
Moet elke morbide obese patiënt gezien worden door de cardioloog?
5
Inleiding
De “gezonde” obese patiënt (BMI tussen de 30 en 40) heeft vaak een “fit” hart, vergelijkbaar
met een sporthart; met een vergroot slagvolume, een relatief hoge hartfrequentie en
10 daardoor een hoge cardiac output (Negligan, 2010). Bij het toenemen van de BMI en de ernst
van de co-morbiditeit (Metabool Syndroom, Diabetes, Hypertensie, OSAS) nemen ook de
negatieve effecten toe op de hartfunctie (vervetting gladde spiercel, linker ventrikel
hypertrofie, verhoogde vaatweerstand, hartfalen). Dit leidt tot een verhoogde zuurstof
consumptie. Al deze factoren tezamen kunnen leiden tot een concentrisch hypertrofisch hart
15 met een systolische, en/of diastolische dysfunctie, uiteindelijk uitmondend in
cardiomyopathie en pulmonale hypertensie (Harmacey et al., 2008; Stelfox et al., 2006;
Avelar et al., 2007). Belangrijk kan zijn om te vragen naar het gebruik van het afslankmiddel
Dexfenfluramine (Isomeride®) in het verleden en evt. ook Ponderal® gezien de mogelijke
kans op het ontstaan van hartklepafwijkingen bij langdurig gebruik.
20
Het abdominale vet wordt beschouwd als een endocrien orgaan wat hormonen en
inflammatoire actieve eiwitten (adipokines) produceert. Deze stoffen hebben effect op de
insuline huishouding, de vaatwand, de hartfunctie en de stolling. Afvallen met verlies van
abdominaal vet kan deze effecten weer teniet doen. Vaak krijgen deze patiënten als
25 medicatie naast anti-diabetica en anti-hypertensiva, Ascal ter voorkoming van trombose en
statines om hun lipidengehalte te optimaliseren. Deze medicatie kan perioperatief worden
door gebruikt (Hindler et al., 2006).
ECG afwijkingen kunnen aanwezig zijn bij meer dan 50% van de obese patiënten (ST
30 afwijkingen, QT verlenging). Diagnostisch onderzoek is vaak lastig in deze patiëntengroep.
Dyspneu bij geringe inspanning, pijn op de borstklachten in rust of bij geringe inspanning,
orthopneu en/of nachtelijke dyspneu zijn dan aanwijzingen voor een verminderde
hartfunctie (Somers et al., 2008). In de literatuur wordt geadviseerd deze patiënten
laagdrempelig door te sturen voor verder cardiologisch onderzoek. Trans Thoracale
35 Echografie (TTE) geeft in sommige patiënten (hoge BMI, status na CABG, COPD, oudere
leeftijd) niet goed te beoordelen beelden. Indien de patiënt geen fietstest kan ondergaan, is
een Dobutamine stress echocardiografie een alternatief, maar deze test geeft in 92% een
normale uitslag (Catheline et al., 2008). Routinematig preoperatieve stress tests zijn dus niet
nodig. Wel wordt in de praktijk geadviseerd bij elke morbide obese patiënt een ECG te laten
40 maken (Fraley et al., 2005).
Concluderend vraagt de anesthesioloog, preoperatief op de poli, gericht naar de
inspanningstolerantie (traplopen, wandelen, fietsen), dyspneu d’effort, dyspneu bij
platliggen, hypertensie, tekenen van Decompensatio Cordis en de STOP-BANG of een andere
45 OSAS vragenlijst (Chung, 2008a).
19
Ondanks dat ook bij cardiologisch onderzoek de resultaten lastig zijn om te interpreteren,
wordt toch geadviseerd patiënten laagdrempelig door te sturen voor cardiologisch
onderzoek.
5 Aanbevelingen
Routinematige ECG wordt geadviseerd, ondanks dat het waarschijnlijk weinig effect heeft op
de klinische uitkomst.
Is de patiënt bekend met een slechte inspanningstolerantie, tekenen van links- of rechts
10 decompensatie , een afwijkend ECG en/of een andere cardiovasculaire afwijking;
(ongecontroleerde) hypertensie en tevens een abnormale STOP-BANG score, overweeg dan
een consult van een cardioloog.
15 3.3 Diabetes mellitus
Uitgangsvraag:
Leidt diabetes mellitus tot een hogere kans op perioperatieve complicaties voor patiënten
die een bariatrische ingreep ondergaan?
20
Inleiding
Diabetes komt vaak voor bij de morbide obese patiënt. Het reduceren van de gevolgen van
de diabetes of zelfs het verdwijnen van deze ziekte na een maag verkleinende operatie, kan
25 een belangrijk bijdragende reden zijn om deze ingrepen, juist bij patiënten met diabetes
mellitus, uit te voeren (American Association of Clinical Endocrinologists, the Obesity Society
et al., 2008).
Er bestaat binnen de Morbide Obese patiëntengroep een grote variatie in het voorkomen en
30 de ernst van diabetes. Vaak bestaat er een glucose intolerantie syndroom, met of zonder een
perifere insuline resistentie, en zijn er tekenen van het Metabool Syndroom (Moller et al.,
2005; Martyn et al., 2008; Grundy et al., 2005). Verhoogde glucose spiegels rondom de
operatie geven een verhoogde kans op wondinfecties en een slechtere darmnaad genezing
(Lipshutz et al., 2009).
35 Indien patiënten leiden aan diabetes bepalen de ernst en duur de mate van aantasting van
het cardiovasculaire systeem (centraal en perifeer vaatlijden), de ogen, nieren en het
zenuwstelsel.
Diabetische patiënten hebben een verhoogd risico op postoperatief hartfalen en “stille”
ischemie (Fleisher et al., 2006). Daarnaast komt een lastige intubatie vaker voor in deze
40 patiënten groep (Mashour et al., 2008).
20
Aanbevelingen
Morbide Obese patiënten met diabetes moeten behandeld worden volgens de richtlijnen die
gelden voor patiënten met een verhoogd cardiovasculair risico. Laagdrempelig doorverwijzen
voor verder cardiovasculair onderzoek (ischemisch hartziekte, atherosclerose carotiden)
5 wordt aangeraden.
Tijdens de anesthesiologische screening is routinematige bloedsuiker testen bij patiënten die
niet bekend zijn met diabetes niet noodzakelijk. In het voortraject is dit reeds verricht.
10 Patiënten die een verhoogde kans hebben op een verstoorde perioperatieve suikerregulatie
hebben speciale perioperatieve aandacht nodig voor hun glucose controle.
Patiënten met een al langer bestaand diabetes moeten extra gecontroleerd worden op een
mogelijke moeilijke luchtweg en lastige intubatie.
15
3.4 Laboratoriumonderzoek
Uitgangsvraag:
20 Welk laboratoriumonderzoek is nodig?
Inleiding
Voedingsdeficiënties kunnen frequent voorkomen, vooral van ijzer en foliumzuur. Echter ,
25 alle patiënten die aangeboden worden voor bariatrische chirurgie worden gescreend door
een internist die speciaal let op voedingsdeficiënties. De consequenties voor de anesthesie
zijn hierbij gering.
Door mogelijk een te laag ijzer en foliumzuur komt anemie significant vaker voor bij morbide
obese patiënten (Colazzo-Clavell et al., 2006). Suppletie van bloedproducten blijkt in de
30 literatuur echter zelden tot nooit nodig voor patiënten die een bariatrische ingreep
ondergaan (Kuruba et al., 2007). Een ervaren chirurg heeft peroperatief nauwelijks tot geen
bloedverlies. Echter volgens de richtlijnen van de NICE wordt geadviseerd bij ASA 3,
patiënten standaard een Hb aan te vragen (http://www.nice.org.uk/Guidance/CG3). De vraag
of bij elke patiënt die een bariatrische ingreep ondergaat tevens een T+S (type and screen)
35 moet worden aangevraagd, wordt in de literatuur niet beantwoord (Ramaswamy et al.,
2004). Afspraken hierover kunnen op lokaal niveau worden gemaakt.
Aanbevelingen
40 Preoperatief ijzer suppletie kan gebruikt worden om een laag preoperatief Hb te corrigeren.
Routinematig lab onderzoek is niet geïndiceerd voor Hb, glucose en Type and Screen.
21
Al het overig labonderzoek is op indicatie (re-operatie, patiënt in slechte conditie) en vaak
reeds in de voorbereidende fase verricht (Hba1c, nierfunctie).
3.5 5 Trombose profylaxe
Uitgangsvraag:
Zijn anticoagulantia geïndiceerd rondom een bariatrische ingreep?
10
Inleiding
Obesitas is een risicofactor voor het ontstaan van trombo-embolische processen als
onderdeel van het Metabool Syndroom. Daarnaast hebben de ernst van de diabetes mellitus,
de duur van de operatie en de snelheid van postoperatieve mobilisatie invloed op de kans op
15 trombo-embolische processen.
Samenvatting van de literatuur
Met het wel of niet gebruiken van trombose profylaxe moet er altijd een afweging gemaakt
20 worden tussen de kans op trombo-embolische proces en de kans op stollingsstoornissen met
mogelijk meer perioperatief bloedverlies. Er werden vijf studies gevonden die betrekking
hadden op dit onderwerp.
In een meta analyse van Becattini et al., (2012) (19 geïncludeerde studies met in totaal 3991
25 patiënten) was de incidentie van een pulmonale embolie 0,5% en de kans op een ernstige
bloeding was 3,6%.
Agarwal et al., (2010) includeerden in totaal 30 primaire studies met als onderwerp de
methode van profylaxe voor veneuze trombo embolieën. Zij concludeerden dat er
30 onvoldoende bewijs was om conclusies te kunnen trekken over de effectiviteit en
bijwerkingen van de verschillende anti-trombose regimes die gebruikt worden bij
bariatrische chirurgie patiënten.
22
Finks et al., (2012) includeerden ruim 27.000 patiënten in een cohort studie van patiënten
die voor de eerste maal een bariatrische operatie ondergingen. In totaal hadden 93 patiënten
een veneuze trombo embolische ervaring, daarvan hadden 51 patiënten een pulmonaire
embolie en er waren acht geassocieerde sterfte gevallen. Significante risicofactoren waren:
– een voorgeschiedenis van veneuze trombo embolieën (OR 4,15; 5 BI 2,42–7,08)
– mannelijk geslacht (OR 2,08; BI 1,36–3,19);
– operatie tijd meer dan 3 uur (OR 1,86, BI 1,07–3,24);
– BMI categorie (per 10 units) (OR 1,37; CI 1,06–1,75);
– leeftijdscategorie (per 10 jaar) (OR 1,25, BI 1,03–1,51);
10 – procedure type (referentie maagband);
– duodenal switch (OR 9,45; BI 2,50–35,97);
– open maag bypass (OR 6,48, BI 2,17–19,41);
– laparoscopische maag bypass (OR 3,97, BI 1,77–8,91);
– sleeve gastrectomie (OR 3,50, BI 1,30–9,34).
15
Conclusies
Niveau 2
De incidentie van veneuze trombo-embolieën was relatief laag na een standaard
beleid met anticoagulantia.
Bronnen (Becattini et al., 2012)
Niveau 3
Profylaxe van veneuze trombo embolieën wordt adequaat bereikt door het gebruik
van sequentiële compressie kousen, snelle mobilisatie en relatief korte
operatietijden.
Bronnen (Clements et al., 2009)
20
Overwegingen
De belangrijkste vraag is of de profylactische dosering van coagulantia voldoende is voor de
bariatrische chirurgie/patiënt in verband met het hogere gewicht. Hiervoor werd gekeken
naar risicofactoren voor veneuze trombose en/of longembolie. Dat zijn naast de operatie
25 gerelateerde factoren (type ingreep, houding op tafel, duur ingreep), vooral patiënt
gerelateerde factoren, zoals een voorgeschiedenis met veneuze trombose/longembolie,
huidig orale anti-stolinggebruik, BMI >60 en congenitale hypercoagulabiliteit (Nederlandse
Internisten Vereniging et al., 2008).
Het peroperatief gebruik van steunkousen met een pneumatisch pomp (sequentiële
30 compressie manchetten) wordt geadviseerd ter voorkoming van trombose, zoals dit geldt
voor alle grote laparoscopische operaties. Dit vooral gezien de houding op tafel en het effect
van het pneumoperitoneum op de bloedsomloop in de benen.
Orale anticoagulantia zijn voor de anesthesioloog behalve met het oog op het operatieve
35 bloedverlies ook belangrijk indien een neuraxiale techniek wordt toegepast. Hier is tevens de
richtlijn Neuraxisblokkade en antistolling van de NVA (2004) van toepassing. In het algemeen
kan Ascal veilig worden door gebruikt rondom de operatie. Sintrom kan drie dagen voor de
23
operatie gestopt worden indien de indicatie voor de antistolling door de verantwoordelijk
behandelaar dit toelaat. Bij het gebruik van Plavix lijkt uitstellen van de electieve ingreep het
meest aangewezen. Er is nog geen consensus over het gebruik van NOAC’s.
5
Aanbevelingen
De reguliere trombose profylaxe kan worden toegepast bij bariatrische chirurgie. Het wordt
geadviseerd sequentiële compressie kousen toe te passen en patiënten snel te mobiliseren.
10 Low Moleculair Weight Heparine (LWMH toediening wordt geadviseerd binnen 6 tot 12 uur
na de ingreep te starten. Eerder (binnen zes uur) zou een verhoogde kans op postoperatieve
bloedingen kunnen geven. De normale profylaxe dosering kan worden gegeven. Bij patiënten
met een BMI >40 of een gewicht >190 kg wordt aangeraden tweemaal daags te doseren in
een 25% lagere dosis dan de therapeutische dosis gebaseerd op werkelijk lichaamsgewicht.
15 (86 IE anti-Xa per kg x 75%)
Geadviseerd wordt de anticoagulantia door te gebruiken tot minimaal vier weken na de
operatie omdat de grootste kans op een trombo-embolische complicatie twee tot drie weken
na de operatie ligt. Bij patiënten met een verhoogd risico op DVT/PE wordt geadviseerd de
20 LWMH te vervangen voor Sintrom tot drie maanden na de operatie.
3.6 Anitbiotica profylaxe
Inleiding
25 Preoperatieve antibiotica profylaxe is geïndiceerd bij bariatrische chirurgie. Meestal wordt
gebruik gemaakt van een combinatie van een Cefalosporine met Metronidazol (zie richtlijn
perioperatieve antibiotica profylaxe, Stichting Werkgroep Antibiotica Beleid, www.SWAB.nl).
30 Wetenschappelijke onderbouwing
Er is enige discussie in de literatuur of de dosering van antibiotica verhoogd zou moeten
worden bij patiënten die bariatrische chirurgie ondergaan. Echter de meeste studies komen
tot de conclusie dat voldoende hoge doseringen worden bereikt aangezien het
verdelingsvolume van patiënten met morbide obesitas niet veel groter is dan bij mensen met
35 een ‘normaal’ gewicht.
Conclusie
Niveau 2
Er is geen bewijs om de dosis van preoperatieve antibioticaprofylaxe te
verhogen in de morbide obesitas patiënt die een bariatrische ingreep
ondergaat.
Bronnen (Edmiston, 2004; Kees, 2011; Van Kralingen, 2011; Van Kasteren,
2000)
24
Aanbeveling
Antibiotica profylaxe dient plaats te vinden volgens de geldende regels voor de specifieke
ingreep en volgens de richtlijn perioperatieve antibiotica profylaxe en volgens de afspraken
binnen een instelling.
5
3.7 Premedicatie
Uitgangsvraag:
10 Is er indicatie voor orale premedicatie (sedativa, antiacida) en kan dit veilig worden gegeven?
Inleiding
Er vinden discussies plaats of morbide obese patiënten die geopereerd gaan worden
15 premedicatie moeten krijgen, waar met premedicatie wordt bedoeld sedativa, antiacida en
verneveling.
Sedativa
20 Door een toename van vetdepositie in de hals en rondom de thorax kan, tijdens de slaap
door spiertonus verlies, de bovenste luchtweg worden gecomprimeerd (vooral in rugligging).
De morbide obese patiënt heeft hierdoor een verhoogde kans op snurken, apneu en OSAS.
Daarnaast kan er, in combinatie met de medicatie die gegeven wordt tijdens de operatie,
postoperatief hypoxie ontstaan doordat de patiënt te suf, niet aanspreekbaar of wekbaar is.
25 Er kan dan een levensgevaarlijke situatie ontstaan (McGlinch et al., 2006; Livingston et al.,
2006).
Het advies is dan ook om aan deze patiënten geen premedicatie te geven in de vorm van
benzodiazepines of andere sedativa, zeker indien de anamnese positief is voor
30 snurken/apneu en OSAS (Drummond, 1996; Montravers et al., 1992).
Andere vormen van preoperatieve medicatie kunnen wel worden geadviseerd. Omdat zowel
obstructieve als restrictieve longfunctiestoornissen voorkomen, wordt het perioperatief
vernevelen met Ipramol (Combivent) geadviseerd net als ademhalingstechniek oefeningen.
35
Profylaxe van aspiratie
Het idee leeft dat obese patiënten een hogere kans op aspiratie hebben dan magere
patiënten (Montravers). Dit idee is nog gebaseerd op een oud onderzoek uit 1975 door
Vaughan et al., (Harter et al., 1989). Recente literatuur laat zien dat er geen verschil is in de
40 hoeveelheid maaginhoud en de pH na acht uur vasten tussen magere en dikke mensen
(Vaughan). De verhoogde aspiratiekans moet dan aan andere factoren liggen, zoals de
interne maag druk, abdominale druk en oesofageale sfincter druk. Er is tot nu toe niet
genoeg bewijs om te concluderen dat obese patiënten een verhoogde aspiratiekans hebben
(Cardoso-Junior et al., 2007; Hampel et al., 2005; Jean et al., 2008). Patiënten die bekend zijn
45 met een reflux in verband met een hernia diafragmatica en al of niet anti-acida gebruiken
daar moet deze mediatie natuurlijk doorgebruikt of gestart worden.
25
Preoperatief toedienen van aspiratie profylaxe kan worden overwogen, maar de nieuwe
richtlijnen van de Europese Society van Anesthesiologen adviseert niet het standaard gebruik
van aspiratie profylaxe voor electieve chirurgie. Voor patiënten met diabetes mellitus kan het
wel worden geadviseerd in verband met de mogelijke vertraagde 5 maagontlediging.
Aanbevelingen
Geen preoperatieve sedatie toepassen
10
Indien sprake is van lichte of ernstige longfunctiestoornissen starten met vernevelen met
Ipramol (Combivent) en ademhalingstechniekoefeningen.
Routinematig geven van antiacida profylaxe wordt niet geadviseerd, maar kan overwogen
15 worden indien er sprake is van een vertraagde maagontlediging en of GE reflux..
3.8 De moeilijke luchtweg
20 Uitgangsvraag:
Is er bij de morbide obese patiënt sprake van een moeilijke luchtweg waardoor de intubatie
lastiger is?
25 Inleiding
De moeilijke kapbeademing en moeilijke luchtweg behoren tot grootste anesthesiologische
uitdagingen. Er is uitgebreide literatuur over de moeilijke luchtweg, maar sinds de introductie
van supraglottische luchtwegmateriaal (Larynxmasker) in allerlei vormen en variaties en de
vrij recente introductie van de videolaryngoscopen, wordt er anders tegen een moeilijke
30 luchtweg, gekwalificeerd als een moeilijke laryngoscopie, aangekeken.
Maskerbeademing
Risicofactoren voor moeilijke/lastige maskerbeademing, de eerste stap in de beheersing van
35 de luchtweg, zijn: een leeftijd ouder dan 55 jaar, BMI >30, aanwezigheid van een baard, het
ontbreken van de tanden en snurken. Indien de kans op een moeilijke kapbeademing
aanwezig is, is de kans op een moeilijke luchtweg viermaal zo groot. Andere factoren die
genoemd zijn als risico op moeilijke maskerbeademing zijn: bestraling van het hoofd-hals
gebied, Mallampatie score 3 tot 4, mannelijk geslacht en slaap apneu. Indien er een moeilijke
40 maskerbeademing verwacht wordt, is het aan te bevelen de hulp in te roepen van een extra
anesthesioloog. Nekomvang wordt hier niet genoemd, maar geldt ook als een risicofactor
voor een lastige kapbeademing.
26
Moeilijke luchtweg
Risicofactoren voor en moeilijke luchtweg zijn eigenlijk dezelfde als voor een moeilijke
maskerbeademing waar nog aan toegevoegd kan worden of iemand in staat is zijn kaak naar
voren te bewegen. Er zijn in de anesthesie vele scorelijsten over dit onderwerp gemaakt
waarvan de bekendste wel de El-Ganzouri score is. In deze lijst wordt 5 gekeken naar het
gewicht, hoofd- en nekmobiliteit, mondopening, thyromentale afstand, mogelijkheid om de
onderkaak voorbij bovenkaak te bewegen, Mallampatie classificatie en voorgeschiedenis van
een lastige intubatie. Indien een moeilijke intubatie verwacht wordt, wordt aanbevolen
voorzorgsmaatregelen te treffen, een alternatief plan voorradig te hebben en te bespreken
10 met patiënt, chirurg en het anesthesie team en dit te melden in de “time out procedure”
(richtlijn Het peroperatieve traject, NVA, 2011). Er is literatuur en discussie onder experts
over het gebruik van larynxmasker in deze speciale patiëntencategorie. Als tijdelijke
oplossing in het algoritme van de moeilijke luchtweg wordt de “Intubating Laryngeal Mask
(ILMA)” zeker genoemd.
15
Positionering
Op de operatiekamer staat of valt de moeilijke luchtweg met de positionering op de
operatietafel. De patiënt moet worden gepositioneerd op de operatie tafel in “the ramped
20 position” (HELP – Head Elevated Laryngoscopy Position). Hierbij worden het bovenlichaam en
het hoofd zodanig gepositioneerd dat er een schijnbare horizontale lijn getrokken kan
worden tussen de oorlel en het jugulum. In deze positie, gecombineerd met een anti-
Trendelenburg positie, wordt de klassieke laryngoscopie en de beademing vergemakkelijkt.
Tevens geeft deze positie een verlenging van de apneutijd, daar de functionele reserve
25 capaciteit (FRC) van de patiënt wordt vergroot waardoor er meer zuurstof kan worden
opgenomen.
CAVE
30 OSAS patiënten mogen nooit plat op hun rug gepositioneerd worden op de operatie tafel.
De beide armen mogen op de armsteunen worden gepositioneerd met aandacht voor
drukpunten (N.Ulnaris). Uitgebreide preoxygenatie (>3 minuten of de tien diepe teugen)
vindt plaats in deze positie, eventueel met toepassing van CPAP bij patiënten met ernstige
35 OSAS.
Bij MO patiënten moet er natuurlijk net zoals bij de “ gewone” patiënt aandacht zijn voor
drukpunten (N.Ulnaris, N. Peroneï ) door zorgvuldige positionering van de armen en benen.
Positionering is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van het OK team.
40 Rhabdomyolisis kan ontstaan bij langdurige houding in de lithotomie positie (langer dan 3 tot
4).
Intubatie
De intubatie op zich hoeft niet moeilijker te zijn dan in de “normale” niet obese patiënt. Dit
45 geldt vooral voor het vrouwelijk geslacht, waar BMI geen voorspellende factor is voor een
27
moeilijke intubatie. Een Mallampatie score van drie of hoger, mannelijk geslacht en een
nekomvang >43 cm zijn dat wel.
Geadviseerd kan worden om bij een verwachte moeilijke intubatie standaard de
videolaryngoscoop (Glidescoop®, McGrath®, Airtraq®) te gebruiken. Een optie 5 is een patiënt
wakker flexibel te intuberen. Maar met de juiste positionering en het gebruik van een video
laryngoscoop is dit nog maar zelden nodig.
10 Aanbevelingen
Beoordeling van een mogelijk moeilijke kapbeademing en moeilijke luchtweg dient te
gebeuren bij elke patiënt die een operatie moet ondergaan. Voor het inschatting van het
risico wordt een combinatie gebruikt van meerdere factoren, bijvoorbeeld de El-Ganzouri
score.
15 Het resultaat van deze beoordeling dient te worden vermeld in het anesthesieverslag.
Tref alternatieve maatregelen indien er kans is op een moeilijke masker beademing:
bestraling in de voorgeschiedenis, mannelijk geslacht, OSAS, Mallampatie score 3 tot 4 en de
aanwezigheid van een baard. (volgens het algoritme van de moeilijke luchtweg)
20
Een lastige intubatie kan worden verwacht bij een nekomvang >43 cm, het mannelijk
geslacht en een Mallampatie score 3 tot 4. De mondopening, de grootte van de voortanden
en de thyromentale afstand moet ook worden meegenomen bij de beoordeling van een
lastige intubatie. Een nekfoto kan hierbij behulpzaam zijn.
25
Op het operatiekamer complex dient materiaal aanwezig te zijn die nodig is om een moeilijke
luchtweg probleem op te lossen.
Bij een verwachte moeilijke luchtweg dient vooraf aan de anesthesie een plan gemaakt en
30 besproken te zijn met het operatieteam (Time Out).
Literatuur
Agarwal, R., Hecht, T., Lazo, M.C., & Umscheid, C.A. (2010). Venous thromboembolism prophylaxis for patients
35 undergoing bariatric surgery: a systematic review. Surgery for Obesity and Related Diseases, 6, 213–220.
Altermatt, F.R., Munoz, H.R., Delfina, A.E., & Cortinez, L.J. (2005). Pre-oxygenation in the obese patients: effects of
position on tolerance to apnoea. Br J Anaesth, 95, 706-7009.
American Association of Clinical Endocrinologists, the Obesity Society, & American Society for Metabolic and Bariatric
Surgery (2008). Medical guidelines for clinical practice for the perioperative nutritional, metabolic, and nonsurgical
40 support of the bariatric patient. Endocr Pract, 1 (1), 1-83.
Avelar, E., Cloward, T.V., Walker, J.M., Farney, R.J., Strong, M., Pendleton, R.C., … Litwin, S.E. (2007). Left ventricular
hypertrophy in severe obesity: interactions among blood pressure, nocturnal hypoxemia, and body mass.
Hypertension, 49, 34-9.
Becattini, C., Agnelli, G., Manina, G., Noya, G., & Rondelli, F. (2012). Venous thromboembolism after laparoscopic
45 bariatric surgery for morbid obesity: clinical burden and prevention. Surg Obesity and Related Dieseases., 108-115.
Brodsky, J.B., Lemmens, H.J., Brock-Utne, J.G., Saidman, L.J., & Levitan, R. (2003). Anesthetic considerations for
bariatric surgery: proper positioning is important for laryngoscopy. Anesth Analg, 96, 1841-2.
28
Cardoso-Junior, A., Coelho, L.G., Savassi-Rocha, P.R., Vignolo, M.C., Abrantes, M.M., Almeida, A.M. de, Dias, E.E., …
Lemos, Y.V. (2007). Gastric Emptying of Solid and Semi-solids in Morbidly Obese and Non-Obese Subjects: an
Assessment Using the 13C-Octanoic Acid and 13C-Acetic Acid Breath Tests. Obes Surg, 17, 236-41.
Catheline, J.M., Bihan, H., Quang, T. le, Sadoun, D., Charniot, J.C., Onnen, I., … Cohen, R. (2008). Preoperative cardiac
and pulmonary assessment in bariatric surgery. Obes 5 Surg, 18, 271-7.
Chung, F., Yegnesswaran, B., Liao, R., Chung, S.A., Vairavanathan, S., Islam, S., … Shapiro, C.M. (2008a). STOP
questionnaire: a tool to screen patients fort obstructive sleep apnea. Anesthesiology, 108, 812-21.
Chung, S.A., Yuan, H., & Chung, F. (2008b). A systemic review of obstructive sleep apnea and its implications for
anesthesiologists. Anaesthesiology, 107, 1543-63.
10 Colazzo-Clavell, M.L., Clarck, M.M., McAlpine, D.E., & Jensen, M.D. (2006). Assessment and preparationof patients for
bariatric surgery. Mayo Clinic Proc, 81 (10), S11-7.
Collins, J.S., Lemmens, H.J., & Brodsky, J.B. (2006). Obesity and difficult intubation: where is the evidence?
Anesthesiology, 104, 617, 8-9.
Collins, J.S., Lemmens, H.J., Brodsky, J.B., Brock-Utne, J.G., & Levitan, R.M. (2004). Laryngoscopy and morbid obesity: a
15 comparison of the “sniff” and “ramped” positions. Obes Surg, 14, 1171-5.
Combes, X., Sauvat, S., Leroux, B., Dumerat, M., Sherrer, E., Motamed, C., … D’Honneur, G. (2005). Intubating laryngeal
mask airway in morbidly obese and lean patients: a comparative study. Anesthesiology, 102, 1106-1109.
Cotellazi, P., Minati, L., Falcone, C., Lamperti, M., & Caldiroli, D. (2007). Predictive value of El Gazouri multivariate risk
index for difficult tracheal intubation: a comparison of Glidescope videolaryngoscopy and conventional Macintosh
20 laryngoscope. Br J Anaesth, 99, 906-911.
Crummy, F., Piper, A.J., & Naughton, M.T. (2008). Obesity and the lung: (2) Obesity and sleep-disordered breathing.
Thorax, 63, 738-46.
Delay, J.M., Sebbane, M., Jung, B., Nocca, D., Verzilli, D., Pouzeratte, Y., … Jaber, S. (2008). The Effectiveness of
Noninvasive Positive Pressure Ventilation to Enhance Preoxygenation in Morbidly Obese Patients: A Randomized
25 Controlled Study. Anest Analg, 107, 1707-1713.
Dixon, B.J., Dixon, J.B., Carden, J.R., Burn, A.J., Schachter, L.M., Playfair, J.M., … O’Brien, P.E. (2005). Preoxygenation is
more effective in the 25 degrees head/up position than in the supine position in severely obese patients: a
randomized controlled study. Anesthesiology, 102, 1110-5.
Drummond, G.B. (1996). Comparison of Sedation with Midazolam and Ketamine: Effects on Airway Muscle Activity. Br J
30 Anaesth, 76, 1490-1496.
Eberhart, L.H., Arndt, C., Aust, H.J., Kranke, P., Zoremba, M., & Morin, A. (2010). A simplified risk score to predict
difficult intubation: development and prospective evaluation in 3763 patients. Eur J Anaesthesiology, 27, 935-940.
Edmiston, C.E., Krepel, C., Kelly, H., Larson, J., Andris, D., Hennen, C., … Wallace, J.R. (2004). Perioperative antibiotic
prophylaxis in the gastric bypass patient: do we achieve therapeutic levels? Surgery., 136 (4), 738-47.
35 Finks, J.F., English, W.J., Carlin, A.M., Krause, K.R., Share, D.A., Banerjee, M., … Birkmeyer, N.J. (2012). Predicting risk
for venous thromboembolism with bariatric surgery: Results from the Michigan bariatric surgery collaborative.
Annals of surgery, 255, 1100 -1104.
Fleisher, L.A., Beckman, J.A., Brown, K.A., Calkins, H., Chaikof, E., Fleischmann, K.E., … Society for Vascular Medicine
and Biology (2006). ACC/AHA 2006 guideline update on perioperative cadiovascular evaluation for non-cardiac
40 surgery: Focused update on perioperative beta-blocker therapy. J Amer Coll Cardiol, 47, 2343-55.
Fraley, M.A., Birchem, J.A., Senkottaiyan, N., Alpert, M.A. (2005). Obesity and the Electrocardiogram. Obes Rev, 6, 275-
81.
Freeman, J.T., Anderson, D.J., Hartwig, M.G., & Sexton, D.J. (2011). Surgical site infections following bariatric surgery in
community hospitals: a weighty concern? Obesity Surgery, 836-840.
45 Gander, S., Frascarolo, P., Suter, M., Spahn, D.R., & Magnusson, L. (2005). Positive end-expiratory pressure during
induction of general anesthesia increases duration of nonhypoxic apnea in morbidly obese patients. Anest Analg,
100, 580-4.
Golbin, J.M., Somers, V.K., & Capless, S.M. (2008). Obstructive sleep apnea, cardiovascular disease and pulmonary
hypertension. Proc Am Thorac Soc, 5, 200-6.
50 Gonzalez, H., Minville, V., Delanoue, K., Mazerolles, M., Concina, D., & Fourcade, O. (2008). The importance of
increased neck circumference to intubation difficulties in obese patients. Anest Analg, 106, 1132-6.
Hamoui, N., Anthone, G., & Crookes, P.F. (2010). The value of pulmonary function testing prior to bariatric surgery.
Obes Surg, 320, 30-35.
Hampel, H., Abraham, N.S., & El Serag, H.B. (2005). Meta-analysis: obesity and the risk for gastroesophageal reflux
55 disease and its complication. Ann Intern Med, 143, 199-211.
Harmacey, R., Wilson, C.R., & Taegtmeyer, H. (2008). Adaptation and maladaptation of the heart in obesity.
Hypertension, 52, 181-7.
Harter, R.L., K elly, B., Kramer, M.G., Perez, C.E., & Dzwonczyk, R.R. (1989). A comparison of the volume and pH of
gastric contents of obese and lean surgical patients. Anesth Analg, 86, 147-152.
29
Hindler, K., Shaw, A.D., Samuels, J., Fulton, S., Collard, C.D., & Riedel, B. (2006). Improved postoperative outcomes
associated with preoperative statin therapy. Anaesthesiology, 105, 1260-72.
Ho, V.P., Nicolau, D.P., Dakin, G.F., Pomp, A., Rich, B.S., Towe, C.W., & Barie, P.S. (2012). Cefazolin dosing for surgical
prophylaxis in morbidly obese patients. Surgical infections, 33-37.
Iyer, U.S., Koh, K.F., Chia, N.C.H., Macachor, J., & Cheng, A (2011). Perioperative risk factors in 5 obese patients for
bariatric surgery: a Singapore experience. Singapore Med J, 52, 94-99.
Jean, J., Compère, V., Foudrinier, V., Marguerite, C., Auquit-Auckbur, I., Milliez, P.Y., & Dureuil, B. (2008). The risk of
pulmonary aspiration in patients after weight loss due to bariatric surgery. Anest Analg, 107, 1257-1259.
Juvin, P., Lavaut, E., Dupont, H., Lefevre, P., Dementriou, M., Dumoulin, J.L., & Desmonts, J.M. (2003). Difficult tracheal
10 intubation is more common in obese than in lean patients. Anest Analg, 97, 595-600.
Kasteren, M.E.E. van, Gyssens, I.C., Kullberg, B.J., Bruining, H.A., Stobberingh, E.E., & Goris, R.J.A (2000). Optimaliseren
van het antibioticabeleid in Nederland. V. SWAB-richtlijnen voor perioperatieve antibiotische profylaxe. NTVG,
144, 2049-2055.
Kees, M.G., Weber, S., Kees, F., & Horbach, T. (2011). Pharmacokinetics of Moxifloxacin in plasma and tissue of
15 morbidly obese patients. J Antimicrob Chemother, 66, 2330-2335
Kheterpal, S., Han, R., Tremper, K.K., Shanks, A., Tait, A.R., O’Reilly, M., & Ludwig, T.A. (2006). Incidence and prediction
of difficult and impossible mask ventilation. Anesthesiology, 105, 885-91.
Kheterpal, S., Marin, L., Shanks, A.M., & Tremper, K.K. (2009). Prediction and outcomes of impossible mask ventilation:
a review of 50.000 anesthetics. Anesthesiology, 110, 891-987.
20 Kralingen, S. van, Taks, M., Diepstraten, J., Garde, E.M. van de, Dongen, E.P. van, Wiezer, M.J., … Knibbe, C.A. (2011).
Pharmacokinetics and protein binding of cefazolin in morbidly obese patients. Eur J Clin Pharmacol., 67 (10), 985-
92.
Kuruba, R., Koche, L.S., & Murr, M.M. (2007). Preoperative assessment and perioperative care of patients undergoing
bariatric surgery. Med Clin North Am, 91 (3), 339-51,ix.
25 Kutcha, K.F. (2005). Pathophysiologic changes of obesity. Anesthesiol Clin N Am, 23, 421-9.
Lipshutz, A.K., & Gropper, M.A. (2009). Perioperative glycemic control: an evidence-based review. Anaesthesiology,
110, 408-21.
Livingston, E.H., Arterburn, D., Schifftner, T.L., Henderson, W.G., & DePalma, R.G. (2006). National Surgical Quality
Improvement Program analysis of bariatric operations; modifiable risk factors contribute to bariatric surgical
30 adverse outcomes. J Am Coll Surg, 203, 625-633.
Mashour, G.A., Kheterpal, S., Vanaharam, V., Shanks, A., Wang, L.Y., Sandberg, W.S., & Tremper, K.K. (2008). The
extended Mallampati score and a diagnosis of diabetes mellitus are predictors of difficult laryngoscopy in the
morbidly obese. Anesth Analg, 107, 1919-23.
McClean, K.M., Kee, F., Young, I.S. & Elborn, J.S. (2008). Obesity and the lung: 1 Epidemiology. Thorax, 63, 649-654.
35 McGlinch, B.P., Que, F.G., Nelson, J.L., Wrobleski, D.M., Grant, J.E., & Collazo-Clavell, M.L. (2006). Perioperative care of
patients undergoing bariatric surgery. Mayo Clinic Proc, 81, S25-33.
Menezes Ettinger, J.E. de, dos Santos Filho, P.V., Azaro, E., Melo, C.A., Fahel, E., & Batista, P.B. (2005). Prevention of
rhabdomyolysis in bariatric surgery. Obes Surg, 15, 874-9.
Møller, A., & Villebro, N. (2005). Interventions for preoperative smoking cessation (review). Cochrane database Syst
40 Rev, 20 (3), CD002294.
Montravers, P., Dureuil, B., & Desmonts, J.M. (1992). Effects of i.v. Midazolam on Upper Airway Resistance. Br J
Anaesth, 68, 27-31.
Nederlandse Internisten Vereniging, Nederlandse Orthopeden Vereniging, Nederlandse Vereniging voor
Anesthesiologie, Nederlandse Vereniging voor Cardiologie, & Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (2008).
45 Diagnostiek, preventie en behandeling van veneuze trombo-embolie en secundaire preventie van arteriole
trombose. Geraadpleegd via www.kwaliteitskoepel.nl.
Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (2009). Diagnostiek en behandeling van het
obstructieve slaap apneu syndroom bij volwassenen. Geraadpleegd via www.kwaliteitskoepel.nl.
Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (2004). Richtlijn Neuraxisblokkade en antistolling. Geraadpleegd via
50 www.kwaliteitskoepel.nl.
Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (2011). Richtlijn Het peroperatieve traject. Geraadpleegd op 1 juli 2012,
via www.kwaliteitskoepel.nl.
Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (2012). Preventie perioperatieve pulmonale complicaties bij nietpulmonale
chirurgie. Geraadpleegd via www.kwaliteitskoepel.nl.
55 Neligan, P.J. (2010). Metabolic syndrome: anesthesia for morbid obesity. Curr Opin Anaesthesiol., 23 (3), 375-83.
Neligan, P.J., Porter, S., Max, B., Malhotra, G., Greenblatt, E.P., & Ochroch, E.A. (2009). Obstructive sleep apnea is not a
risk factor for difficult intubation in morbidly obese patients. Anesthesia Analgesia, 109, 1182-6.
30
Perilli, V., Sollazi, L., Bozza, P., Modesti, C., Chierichini, A., Tacchino, R.M., & Ranieri, R. (2000). The effects of the
reverse Trendelenburg position on respiraratory mechanics and blood gases in morbidly obese patients during
bariatric surgery. Anesth Analg, 91, 1520-5.
Peterson, G.N., Domino, K.B., Caplan, R.A., Posner, K.L., Lee, L.A., & Cheney, F.W. (2005). Management of the difficult
airway: a close claims analysis. Anesthesiology, 5 103, 33-9.
Ramaswamy, A., Gonzalez, R., & Smith, C.D. (2004). Extensive preoperative testing is not necessary in morbidly obese. J
Gastrointest Surg., 8 (2), 159-64.
Shivalkar, B., Heyning, C. van de, Kerremans, M., Rinkevich, D., Verbraecken, J., Backer, W. de, & Vrints, C. (2006).
Obstructive sleep apnea syndrome: more insights on structural and functional cardiac alterations, and the effect
10 of treatment with continuous positive airway pressure. J Am Coll Cardiol, 47, 1433-1439.
Somers, V.K., White, D.P., Amin, R., Abraham, W.T., Costa, F., Culebras, A., … American College of Cardiology
Foundation (2008). Sleep apnea and cardiovascular disease. an American Heart Association/american College Of
Cardiology Foundation Scientific Statement from the American Heart Association Council for High Blood Pressure
Research Professional Education Committee, Council on Clinical Cardiology, Stroke Council, and Council On
15 Cardiovascular Nursing. In collaboration with the National Heart, Lung, and Blood Institute National Center on
Sleep Disorders Research (National Institutes of Health). Circulation, 118, 1080-111.
Stelfox, H.T., Ahmed, S.B., Ribeiro, R.A., Gettings, E.M., Pomerantsev, E., & Schmidt, U. (2006). Hemodynamic
monitoring in obese patients: the impact of body mass index on cardiac output and stroke volume. Crit Care Med,
34, 1243-6.
20 Theadom, A., & Cropley, M. (2006). Effects of preoperative and postoperative smoking cessation on the incidence and
risk of intraoperative and postoperative complications in adult smokers: a systematic review. Tob Control, 15, 352-
358.
Thomsen, T., Villebro, N., & Møller, A.M. (2010). Interventions for preoperative smoking cessation. Cochrane Database
Syst Rev., 7 (7), CD002294.
25 Tsueda, K., Debrand, M., Zeok, S.S., Wright, B.D., & Griffin, W.O. (1979). Obesity supine death syndrome: reports of two
morbidly obese patients. Anest Analg, 58, 345-7.
Vaughan, R.W., Bauer, S.A., & Wise, L. (1975). Volume and pH of gastric juice in obese patients. Anesthesiology, 43,
686-689.
Zavorsky, G.S., & Hoffman, S.L. (2008). Complications of obesity. Pulmonary gas exchange in the morbidly obese. Obes
30 Rev, 9, 326-39.
31
Hoofdstuk 4 Peroperatief beleid
5 Uitgangsvraag:
Welke anesthesietechnieken kunnen worden toegepast?
Anesthesietechniek
10 Bij bariatrische ingrepen zijn verschillende anesthesietechnieken beschreven en mogelijk. In
het algemeen wordt gekozen voor kortwerkende middelen die postoperatief een zo gering
mogelijk rest-effect hebben op het bewustzijn, de ademhaling en de darmmotiliteit:
inductie Propofol;
onderhoud Propofol TCI, Desfluraan of Sevofluraan;
15 pijnbestrijding Remifentanil TCI, Sufentanil;
epiduraal LA met of zonder lage concentratie opiaat (ernstig OSAS);
spierverslappers Succinylcholine (1mg/kg totaal lichaamsgewicht TBW);
Cave; snellere desaturatie;
Rocuronium (0,6 mg/kg ideaal lichaamsgewicht, IBW);
20 antagonist Sugammadex 2 tot 4 mg/kg op geleide van “Train of Four” (TOF) waarden
en kliniek.
Inductie
25 Er is geen consensus over de wijze van inductie. Er moet rekening gehouden worden met de
beperkte zuurstofreserve, toegenomen zuurstofbehoefte en de hogere gevoeligheid voor
opiaten en sedativa. De relatief korte apneutijd kan verlengd worden door een goede
positionering en juiste manier van preoxygeneren. De vraag is of er een “Rapid Sequence”
inductie moet plaatsvinden (Verduzco et al., 2012). In de literatuur en door experts wordt dit
30 wel geadviseerd, zeker bij de super obese patiënt. De vraag is welke spierverslapper bij de
inductie moet worden gebruikt (Marsch et al., 2011; Lemmens et al., 2006). De manier van
inductie is afhankelijk van de verantwoordelijk anesthesioloog en zijn of haar ervaring. Hij/zij
zal bij elke patiënt opnieuw moeten overwegen wat het best en veiligst is voor de patiënt,
afhankelijk van de kans op een moeilijke luchtweg en andere co-morbiditeit. De experts
35 adviseren toch het gebruik van Succinylcholine gedoseerd volgens Total Body Weight (TBW)
(Gaszynski et al., 2011). Daardoor is het mogelijk snel te intuberen zonder maskerbeademing
toe te passen (kan lastig zijn en een desaturatie kan geven). Daarnaast is het kortwerkend
waardoor de spontane ademhaling snel terugkeert. In Europa kan Sugammadex (Bridion)
worden toegepast waardoor ook Rocuronium (Esmeron) snel geantagoneerd kan worden (Le
40 Corre et al., 2011; Van Lancker et al., 2011).
Precieze dosering van medicatie is lastig in ernstig obese patiënten. De meeste studies over
farmacokinetiek komen van patiënten met een normaal gewicht. Er bestaat dus een kans op
incorrecte doseringen, aangezien de juiste dosis ook afhankelijk is van cardiac output
45 (toegenomen), extracellulaire volume, vet massa en Lean Body Weight (LBW). Vetoplosbare
32
stoffen worden mogelijk opgeslagen en de piek plasmaspiegel kan verlaagd zijn bij sommige
middelen waardoor de juiste weefsel concentratie niet wordt bereikt (Lemmens et al., 2005;
Pai et al., 2000; Ingrande et al., 2011; Meyhoff et al., 2009).
Voor de verschillende middelen wordt geadviseerd te doseren op basis van “Lean body
Weight” (LBW),”Ideal Body Weight” (IBW) en “Total 5 Body Weight“(TBW):
inductie middelen en opiaten LBW;
spierverslappers IBW;
paracetamol LBW;
sugammadex TBW + 40% (Marsch);
10 morfine IBW (een hydrofiele stof maar mogelijk is doseren op basis van
de leeftijd van de patiënt beter).
Onderhoud
15 Het onderhoud van de anesthesie kan bestaan uit dampvormige anesthetica of Propofol
continu. Er is recent literatuur verschenen (Zoremba et al., 2011), dat met Desfluraan de
longfunctie en daarmee de saturatie de eerste paar uren na de operatie beter/hoger is dan
met Propofol. Er zijn meerdere artikelen over het gebruik van electroencephalografie
(Bispectral Index=BIS) en het titreren van de anesthesie op geleide van deze meting
20 (Gaszynski et al., 2005). De kans op awareness is mogelijk groter bij een hogere BMI. Daarom
wordt peroperatieve BIS-metingen aangeraden voor patiënten met een hoge BMI (Albertin et
al., 2007). Voor het toepassen van totaal intraveneuze anesthesie met continue toediening
van Propofol en/of Remifentanil op basis van plasma of breinspiegels in obese patiënten
(BMI >35), zijn geen gevalideerde studies beschikbaar. In de praktijk worden dan de
25 pompstanden gestuurd op geleide van de BIS waarden (tussen de 30 en de 50) (Pandazi et
al., 2005).
Pijnbestrijding kan onderhouden worden met Sufentanil intermitterend en Remifentanil op
de pomp, met of zonder epidurale anesthesie. De spierverslapping kan continu of
30 intermitterend gegeven worden op basis van neuromusculaire monitoring.
In de Verenigde Staten zijn studies verschenen met de α-2 agonist Dexmedetomidine
(Bakhamees et al., 2007). Recent is Dexmedetomidine ook op de Europese markt
verkrijgbaar. Blaudszun et al., (2012) tonen in een review artikel aan dat door peroperatief
35 intra veneus een α-2 agonist toe te dienen er minder opiaten en sedativa hoeven worden
toegediend. Daardoor hebben patiënten postoperatief minder opiaten nodig, waardoor de
kans op overdosering en op respiratoire complicaties kleiner en de kans op een sneller
herstel groter wordt. Belangrijke bijwerking van α-2 agonisten zijn peroperatieve hypotensie
en bradycardie. Geadviseerd wordt Dexmedetomidine toe te dienen in een lage dosering van
40 0,2 μg/kg/u. Meer onderzoek moet nog worden gedaan om het een volledige plek te geven
binnen de bariatrische anesthesie.
Vochtbeleid
45 Optimaal vochtbeleid is belangrijk voor alle patiënten die geopereerd worden. Nuchterheid,
vochtverlies via verdamping en bloedverlies dienen te worden opgevangen. Discussie is met
33
welk type vloeistof (colloïd versus kristalloïd) en in welke hoeveelheid. Om een mogelijke
bloeddrukdaling na inductie op te vangen kan vooraf aan de inductie een bolusinfuus met
een colloïd worden gegeven en daarna worden voortgezet met een kristalloïd infuus (4 tot 5
ml/kg/u). Voor laparoscopische darmchirurgie wordt een restrictief vochtbeleid geadviseerd.
In het ERAS protocol (Early Recovery Ater Surgery) (King et al., 2006) wordt 5 een infuusbeleid
gehanteerd volgens het “the dryer the better” beleid. Maar misschien is Goal Directed Fluid
Therapy beter aangezien voor laparoscopische chirurgie voor morbide obese patiënten
eerder een ruim vochtbeleid wordt geadviseerd, vooral om hypotensie tijdens de “Reversed
Trendelenburg Positie” te voorkomen (Perilli et al., 2003). Bij langdurige ingrepen in de
10 lithotomie positie met een kans op rhabdomyolyse (7% tot 40%), wordt geadviseerd een
ruimer infuusbeleid toe te passen (Albertin). Ter preventie wordt naast een ruim
perioperatief infuusbeleid (13 ml/kg/u), zorgvuldige positionering en een zo kort mogelijke
operatie aanbevolen (korter dan twee uur) (Ettinger et al., 2005).
15
Beademing
Bij bariatrische ingrepen wordt het open longconcept geadviseerd met
recruitmentprocedures en CPAP in verband met de grote kans op atelectase (Ettinger et al.,
2007; Coussa et al., 2004). Een mogelijke wijze van handelen is om na inductie de long te
20 “openen” met 30 tot 40 cm H2O druk voor ongeveer 30 sec (CAVE: bloeddrukdaling door
verhoogde intra-thoracale druk) (Talab et al., 2009; Lachmann, 1992). Hierna wordt de
beademingsmachine ingesteld met als doel de beademingsdrukken laag te houden met een
relatief klein teugvolume (5 tot 6 ml/kg IBW) en hoge ademfrequentie (16 tot 20 keer per
minuut met I:E ratio 1:1) en een PEEP van 10 tot 15cm H2O toe te passen (Whalen et al.,
25 2006; Nguyen et al., 2004). Een relatieve hoger PetCO2 kan worden geaccepteerd. Over
volume of druk gestuurde beademing is geen consensus (Sprung et al., 2003; De
Baerdemaeker et al., 2008). Na het instellen van een pneumoperitoneum dient de
beademing te worden aangepast. Een FiO2 van 0,8 kan worden geadviseerd bij darmchirurgie
om de darmnaadgenezing zo goed mogelijk te laten verlopen en de kans op postoperatieve
30 wondinfecties zo klein mogelijk te houden (Aldenkortt et al., 2012; Fleischmann et al., 2006).
Op grond van een bloedgasanalyse kan de beademing worden bijgesteld.
Uitleiding
35 Een patiënt wordt pas gedetubeerd indien hij volledig wakker is en de spierverslapping is
gecontroleerd (TOF watch) en eventueel is geantagoneerd, zodanig dat er geen enkele
restverslapping meer aanwezig is. Het advies is de patiënt in halfzittende houding te
detuberen.
40 Het doel is een wakkere patiënt die opdrachten kan opvolgen en goed kan doorzuchten
zonder hierbij pijn te hebben. De CPAP dient zo spoedig mogelijk hervat te worden.
34
Aanbevelingen
Er is geen consensus welke medicamenten/middelen moeten worden gebruikt.
Geadviseerd wordt te doseren op basis van LBW, IBW en TBW.
5
Geadviseerd wordt BIS te gebruiken bij Morbide Obese patiënten die geopereerd worden.
De α-2 agonist Dexmedetomidine kan peroperatief gebruikt worden om per en postoperatief
minder opiaten te hoeven gebruiken.
10
Het vochtbeleid kan gegeven worden volgens het Goal Directed Therapy principe.
Het gebruik van het “ open long concept” wordt aanbevolen met behulp van de recruitment
manoeuvre en PEEP.
15
Er is klinisch geen significant verschil tussen volume gestuurd of druk gestuurd beademen.
Peroperatief monitoring van de spierverslapping wordt geadviseerd.
20 Detubatie dient te gebeuren bij een wakkere patiënt die zijn/haar spier kracht volledig terug
heeft en gepositioneerd is in een zittende houding.
Literatuur
25 Albertin, A., Poli, D., Colla, l. la, Gonfalini, M., Turi, S., Pasculli, N., … Fermo, I. (2007). Predictive performance of
“Servin’s formula” during BIS guided Propofol-Remifentanil target controlled infusion in morbidly obese patients.
Br J Anaesth, 98, 66-75.
Aldenkortt, M., Lysakowski, C., Elia, N., Brochard, L., & Tramèr, M.R. (2012). Ventilation strategies in obese patients
undergoing surgery: a quantitative systematic review and meta-analysis. British Journal of Anaesthesia, 109 (4),
30 493–502.
Baerdemaeker, L.E. de, Herten, C. van der, Gillardin, J.M., Pattyn, P., Mortier, E.P., & Szegedi, L.L. (2008). Comparison of
volume-controlled and pressure-controlled ventilation during laparoscopic gastric banding in morbidly obese
patients. Obes Surg, 18 (6), 680-5.
Bakhamees, H.S., El-Halafawy, Y.M., El-Kerdawy, H.M., Gouda, N.M., & Altemyatt, S. (2007). Effects of
35 dexmedetomidine in morbidly obese patients undergoing laparoscopic gastric bypass. Middle East J Anesthesiol.,
19 (3), 537-51.
Blaudszun, G., Lysakowski, C., Elia, N., & Tramèr, M.R. (2012). Effect of perioperative systemic α2 agonists on
postoperative morphine consumption and pain intensity: systematic review and meta-analysis of randomized
controlled trials. Anesthesiology., 116 (6), 1312-22.
40 Corre, F. le, Nejmeddine, S., Fatahine, C., Tayar, C., Marty, J., & Plaud, B. (2011). Recurarization after Sugammadex
reversal in an obese patient. Can J Anaesth., 58 (10), 944-947.
Coussa, M., Proiette, S., Schnyder, P., Frascarolo, P., Suter, M., Spahn, D.R., & Magnusson, L. (2004). Prevention of
atelectasis formation during the induction of general anesthesia in morbidly obese patients. Anest Analg, 98,
1491-5.
45 Ettinger, J.E.M.T.M., Marcilo de Souza, C.A., Santos-Filho, P.V., Azaro, E., Mello, C.A., Fahel, E., & Batista, P.B. (2007).
Rhabdomyolysis: Diagnosis and treatment in bariatric surgery. Obes Surg, 17, 525-32.
Ettinger, J.E.M.T.M., Santos Filho, P.V. dos, Azaro, E., Mello, C.A., Santos-Filho, P.V., Orrico, J., … Batista, P.B. (2005).
Prevention of rhabdomyolysis in bariatric surgery. Obes Surg, 15, 874-9.
35
Fleischmann, E., Herbst, F., Kugener, A., Kabon, B., Niedermayr, M., Sessler, D.I., & Kurz, A. (2006). Mild Hypercapnia
Increases Subcutaneous and Colonic Oxygen Tension in Patients Given 80% Inspired Oxygen During Abdominal
Surgery. Anesthesiology., 104 (5), 944-9.
Gaszynski, T.M., & Szewczyk, T. (2011). Rocuronium for rapid sequence induction in morbidly obese patients: a
prospective study for evaluation of intubation conditions after administration 1.2 mg kg⁻¹ ideal 5 body weight of
Rocuronium. Eur J Anaesthesiol., 28 (8), 609-10.
Ingrande, J., Brodsky, J.B., & Lemmens, H.J. (2011). Lean Body Weight Scalar for the Anesthetic Induction Dose of
Propofol in Morbidly Obese Subjects. Anest Analg, 113, 57-62.
King, P.M., Blazeby, J.M., Ewings, P., Longman, R.J., Kipling, R.M., Franks, P.J., … Kennedy, R.H. (2006). The influence of
10 an enhanced recovery program on clinical outcomes, costs and quality of life after surgery for colorectal cancer.
Colorectal Dis., 8 (6), 506-13.
Lancker, P. van, Dillemans, B., Bogaert, T., Mulier, J.P., Kock, M. de, & Haspeslagh, M. (2011). Ideal versus corrected
body weight for dosage of Sugammadex in morbidly obese patients. Anaesthesia., 66 (8), 721-5.
Lemmens, H.J., & Brodsky, J.B. (2006). The Dose of Succinylcholine in Morbidly Obesity. Anest Analg, 102, 438-442.
15 Lemmens, H.J., Brodsky, J.B., & Bernstein, D.P. (2005). Estimating Ideal Body Weight – a New Formula. Obes Surg, 15,
1082-83.
Marsch, S.C., Steiner, L., Bucher, E., Pargger, H., Schumann, M., Aebi, T., … Siegemund, M. (2011). Succinylcholine
versus Rocuronium for rapid sequence intubation in intensive care: a prospective, randomized controlled trial. Crit
Care., 16, 15 (4), R199.
20 Meyhoff, C.S., Lund, J., Jenstrup, M.T., Claudius, C., Sørensen, A.M., Viby-Mogensen, J., & Rasmussen, L.S. (2009).
Should dosing of Rocuronium in obese patients be based on ideal or corrected body weight? Anesth Analg., 109
(3), 787-92.
Nguyen, N.T., Anderson, J.T., Budd, M., Fleming, N.W., Ho, H.S., Jahr, J., … Wolfe, B.M. (2004). Effect of
pneumoperitoneum on intraoperative pulmonary mechanics and gas exchange during laparoscopic gastric bypass.
25 Surg Endosc, 18, 64-71.
Pai, M.P., & Paloucek, F.P. (2000). The Origine of the Ideal Body Weight Equations. Ann Pharmacother, 34, 1066-1069.
Pandazi, A., Bourlioti, A., & Kostopanagiotou, G. (2005). Bispectral index (BIS) monitoring in morbidly obese undergoing
gastric bypass surgery: experience in 23 patients. Obes Surg, 15, 58-62.
Perilli, V., Sollazzi, L., Modesti, C., Annetta, M.G., Sacco, T., Bocci, M.G., … Proietti, R. (2003). Comparison of positive
30 end-expiratory pressure with reverse Trendelenburg position in morbidly obese patients undergoing bariatric
surgery; effects on hemodynamics and pulmonary gas exchange. Obes Surg, 13, 605-609.
Sprung, J., Whalley, D.G., Falcone, T., Wilks, W., Navratil, J.E., & Bourke, D.L. (2003). The effect of tidal volume and
respiratory rate on oxygenation and respiratory mechanics during laparoscopy in morbidly obese patients. Anest
Analg, 97, 268-74.
35 Talab, H.F., Zabani, I.A., Abdelrahman, H.S., Bukhari, W.L., Mamoun, I., Ashour, M.A., … El Sayed, S.I. (2009).
Intraoperative ventilatory strategies for prevention of pulmonary atelectasis in obese patients undergoing
laparoscopic bariatric surgery. Anesth Analg, 109 (5), 1511-6.
Verduzco, L.A., & Lemmens, H.J. (2012). What is the Best Way to Induce General Anesthesia in Obese Patients? In
Leykin, Y., & Brodsky, J.B. Controversies in the Anesthetic Management of the Obese Surgical Patient (P157 – 168).
40 USA: Springer.
Whalen, F.X., Gajic, O., Thompson, G.B., Kendrick, M.L., Que, F.L., Williams, B.A., … Sprung, J. (2006). The effects of the
alveolar recruitment manoeuver and positive end-expiratory pressure on arterial oxygenation during laparoscopic
bariatric surgery. Anest Analg, 102, 298-305.
Zoremba, M., Dette, F., Hunecke, T., Eberhart, L., Braunecker, S., & Wulf, H. (2011). A comparison of desflurane versus
45 propofol: the effects on early postoperative lung function in overweight patients. Anesth Analg, 113 (1), 63-9.
36
Hoofdstuk 5 Postoperatief beleid
Uitgangsvraag:
Moeten alle morbide obesitas patiënten bewaakt worden tijdens hun 5 ziekenhuis opname?
Bewaking
Doel van de bewaking is een vroegtijdige herkenning van een postoperatieve complicatie die
10 snel een correctieve handeling vereist (hart en longfunctie).
Na bariatrische chirurgie zijn de twee belangrijkste complicaties: naadlekkage en een intraabdominale
bloeding. De meest gevoelige indicator voor naadlekkage is een aanhoudende
tachycardie (langer dan 12 uur en een hartslag groter dan 120) (Bellorin et al., 2011). Een
15 nabloeding is moeilijker te diagnosticeren, zeker in een obese patiënt. Het meten van één
parameter wordt niet voldoende gedacht en het advies is een combinatie te gebruiken van
hartfrequentie, bloeddruk, ademfrequentie, temperatuur en pijnscore. Een grote en/of snelle
verandering van een van de parameters moet leiden tot actie en verder onderzoek.
20 Bij patiënten met OSAS en/of OHS moet postoperatief continu de saturatie bewaakt worden,
zeker zolang ze nog in bed liggen en opiaten krijgen toegediend. Patiënten die geen opiaten
krijgen, hebben een geringe kans op longfunctiestoornissen. Patiënten moeten minimaal tot
zes uur na de laatste opiaat toediening worden bewaakt.
25 De belangrijkste postoperatieve doodsoorzaken zijn trombo-embolie en cardiale ischemie.
Postoperatieve pijnstilling
Uitgangsvraag:
30 Welke postoperatieve pijnstilling wordt afgesproken na bariatrische chirurgie?
Na bariatrische chirurgie hebben de patiënten pijn. Adequate pijnstilling na
bovenbuikchirurgie in de morbide obese patiënt is een vereiste om pulmonale complicaties
en veneuze trombo-embolieën te voorkomen.
35
Pijnscores in de literatuur zijn moeilijk te beoordelen door de grote variatie in toegepaste
middelen, ingrepen en patiëntcategorieën. Echter de universeel aanvaarde methode is pijn
meting met behulp van de Visual Analogue Scale (VAS) score. Daarnaast is er een grote
intermenselijke variatie en een culturele invloed, waarbij het idee is dat het pijngevoel en
40 gedrag in Scandinavische landen anders is dan in de Zuid-Europese landen. VAS scores
variëren tussen de drie en de tien, dalend in drie dagen tot onder de drie.
37
Multimodale Pijnbestrijding
Postoperatieve pijnbestrijding kan bestaan uit:
– paracetamol, (wel of geen NSAID) en een opiaat (Morfine, Piritramide) die subcutaan,
intramusculair of intraveneus kunnen worden gegeven en continu en/5 of als bolus kunnen
worden toegediend;
– paracetamol, (wel of geen NSAID) en PCA (meestal Morfine);
– paracetamol, (wel of geen NSAID) en epidurale pijnstilling;
– paracetamol, (wel of geen NSAID), lokale infiltratie en PCA of Morfine/Piritramide sous10
cutané of intramusculair;
– eventueel kan als additiva gegeven worden;
– een α2-agonist (Clonidine, Dexmedetomidine);
– continu Ketamine intraveneus in lage doseringen;
– continu Lidocaine intraveneus in lage doseringen.
15
Doel van de pijnbestrijding is een zo laag mogelijke VAS score, zonder bijwerkingen van de
gebruikte middelen en waarbij snelle mobilisatie mogelijk is. Bij de morbide obese patiënt
kan dat het best bereikt worden door multimodale pijnbestrijding toe te passen met een zo
min en zo laag mogelijk gebruik van opiaten (Pøpping et al., 2012; Elia et al., 2005; Grosu et
20 al., 2011).
Paracetamol
Binnen de bariatrie wordt gediscussieerd over de juiste dosering van paracetamol. Vele
geven Paracetamol (Perfalgan®) 2mg intraveneus per keer (viermaal daags) in de morbide
25 obese patiënt. Paracetamol wordt bij elke postoperatieve patiënt gegeven tenzij er allergie is.
In de literatuur zijn nog geen gegevens beschikbaar over de hogere doseringen Paracetamol
in de morbide obese patiënt.
NSAID’s
30 Er is discussie over het gebruik van een NSAID na dit type chirurgie. Men is bang voor een
verhoogde kans op nabloedingen, een verhoogde kans op maagduodenum beschadiging,
cardiovasculaire bijwerkingen, bronchospasme en kans op nierschade. Selectieve COX-2
remmers zouden wel gebruikt kunnen worden. In het algemeen geven de bariatrische
chirurgen er de voorkeur aan perioperatief geen NSAID’s toe te dienen (Jones et al., 2008;
35 Sasse et al., 2008; Govindarajan et al., 2005).
Opiaten
Morbide obese patiënten zijn mogelijk gevoeliger voor de bijwerkingen van opiaten (vooral
ademdepressie). Morfine wordt gedoseerd op IBW maar de beste voorspeller voor het
40 Morfine gebruik is de leeftijd van de patiënt (Macintyre et al., 1996). Andere factoren zijn
ook bepalend, zoals de aanwezigheid van OSAS (Weingarten et al., 2011).
In de praktijk wordt, zeker in Amerika, vaak gebruik gemaakt van Morfine. Dit kan subcutaan,
intraveneus of intraveneus via een “Patient Controlled Analgesia” (PCA) systeem worden
45 toegediend, maar de bijwerkingen kunnen in deze patiëntengroep erg nadelig zijn, ook
gezien de aard van de ingreep. Misselijkheid, braken en ademdepressie zijn bijwerkingen die
38
wij in de patiëntengroep niet willen zien (Levin et al., 1992; Chargi et al., 2003;
Werawatganon et al., 2005).
Epidurale pijnbestrijding
Bij abdominale chirurgie heeft thoracale epidurale pijnbestrijding de 5 voorkeur; betere
kwaliteit van pijnbestrijding, minder pulmonale complicaties, korte periode van
postoperatieve na-beademing en een verminderd katabolisme (Manion et al., 2001; Block et
al., 2003; Ungern-Sternberg et al., 2005). Voor morbide obesitas is er nog niet voldoende
literatuur beschikbaar, maar het is aannemelijk dat het zeker ook voor deze
10 patiëntencategorie geldt. In morbide obese patiënten wordt er vaker van afgezien doordat
techniek in de morbide obese patiënt mogelijk lastiger is. Daarnaast kan de catheter
makkelijker verschuiven door de hoeveelheid subcutaan vetweefsel. In het MCL is het
succespercentage van goed geplaatste en functionerende epiduralen 86%. Geadviseerd
wordt lagere doseringen te gebruiken door de toegenomen aortocavale compressie op de
15 epidurale ruimte (20 tot 25% lager), waardoor er sneller een ruim blok ontstaat en opiaten
toegediend kunnen worden, in een zo laag mogelijke concentratie, of geen opiaten
toegevoegd worden aan het lokaal anestheticum (Jørgensen et al., 2004; Schumann et al.,
2003).
20 Alpha-2 Agonisten
Alpha-2 agonisten worden regelmatig gebruikt als additive voor analgesie en anesthesie.
Clonidine is minder selectief en heeft meer cardiovasculaire bijwerkingen dan de zeer
selectieve Dexmedetomidine. Dexmedetomidine heeft antinociceptieve, sympaticolytische,
sedatieve en opiaat sparende effecten (Dholakia et al., 2007; Brown et al., 2012). In de
25 Verenigde Staten is het middel al langer op de markt en uit studies blijkt dat het de
opiaatconsumptie verlaagd en een verlenging geeft van de tijd tot het eerste verzoek om
pijnstilling met lagere postoperatieve VAS-scores. Het kan intraveneus, intramusculair,
intranasaal of transdermaal worden gegeven. De laagste geadviseerde dosering is 0,2
mcg/kg/min.
30
Vooral het feit dat er minder ademdepressie plaatsvindt door een opiaatsparend effect, geeft
het belang van Dexmedetomidine weer. In Europa worden nu de eerste ervaringen opgedaan
en verder onderzoek is nodig om Dexmedetomidine zijn plaats te geven binnen de
anesthesie voor morbide obese patiënten.
35
Ketamine
Ketamine is opnieuw in de belangstelling gekomen sinds Ketamine-S op de markt is. In lage
continue doseringen zou Ketamine een opiaatsparend effect hebben met lagere VAS-scores
zonder dat er sprake is van de “beruchte bijwerkingen” (hallucinaties). Doseringen in de niet
40 obese patiënt varieert tussen de 2 en 2,5 mcg/kg/min (Visser et al., 2006; Zakine et al., 2008).
Lidocaine
Lidocaine intraveneus kan als continu infuus per- en postoperatief worden toegediend. Het
heeft een opiaatsparend effect. Bij abdominale chirurgie is het reeds vaak toegepast en het
45 zou , naast multimodale therapie, mogelijk ook van toepassing kunnen zijn bij de morbide
obese patiënt. Zeker aangezien er steeds meer stemmen op gaan om de perioperatieve
39
opiaat toediening alleen nog in noodzakelijke gevallen te gebruiken. Geadviseerde
doseringen zijn een bolus van 2,5 tot 3 mg/kg en een onderhoud van 1,5 mg/kg- (Kaba et al.,
2007; Marret et al., 2008; McCarthy et al., 2010).
Lokale 5 infiltratie
Recent worden er meer en meer lokale infiltratietechnieken toegepast. Hierbij wordt er à vue
tot en met het peritoneum geïnfiltreerd met een langwerkend lokaal anestheticum naar
keuze, op de plaats waar de trocars worden ingebracht (Gupta, 2005; El-Labban et al., 2011).
De literatuur laat wisselende resultaten zien, maar vooral in de Scandinavische landen wordt
10 het frequent toegepast binnen het “Fasttrack protocol” waar de patiënten binnen 24 uur na
de operatie het ziekenhuis weer verlaten. Ook zouden andere regionale technieken kunnen
worden toegepast om de opiaatconsumptie te doen verminderen, zoals een Trans Abdominal
Plane (TAP) blok of een Rectus Sheath (RSB) blok, in gevallen waar een epidurale techniek
mogelijk is een opiaten zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
15
Samenvatting van de literatuur
De systematische literatuursearch leverde 13 artikelen over postoperatieve pijn bij morbide
obesitas chirurgie op, de vier grootste studies worden hieronder beschreven:
20 Govindarajan randomiseerde 50 patiënten die laparoscopische Gastric Bypass ondergingen
over een groep die intraveneus Keterolac kreeg toegediend en een groep die Remifentanil
kreeg toegediend. Uit deze studie bleek dat de patiënten in de Keterolac groep minder last
hadden van postoperatieve pijn dan de patiënten in de Remifentanil groep, maar of deze
verschillen statistisch significant waren is niet bekend;
25
Schumann vergeleek multimodale analgesie met epidurale pijnbestrijding na Gastric Bypass
chirurgie bij 114 patiënten. De patiënten werden gerandomiseerd en over drie groepen
verdeeld: ‘lokaal infiltratie in de wond plus PCA’ (groep A), epidurale anesthesie en analgesie
(groep B) en postoperatieve PCA (groep C). Pijn gemeten met de VAS-schaal op tijdstip 0 en
30 na 36 uur was het kleinste in groep B, groter in groep A en het grootste in groep C, maar deze
verschillen waren alleen significant op tijdstip 0 en na 12 en 36 uur. Het viel op dat de
pijnscores in groep A een bimodale verdeling lieten zien, waarbij in de subgroep die goed
reageerde op de pijnbehandeling de pijnscores zelfs lager waren dan in groep B. Ook in het
Medisch Centrum in Leeuwarden wordt bij voorkeur thoracale epidurale anesthesie
35 toegepast bij patiënten met meer co-morbiditeit (OSAS, IDDM, cardiovasculaire pathologie)
en/of grote operaties (re-operaties na falen maagband) met zeer goed resultaat (VAS-scores
<3); Dholakia en Brown beschrijven in hun artikelen dat wanneer Dexmedetomidine gebruikt 40 werd, er een overall afname was in het gebruik van intra-operatieve analgetica en inhalatie anesthetica en dat de intra-operatieve hemodynamica verbeterde. Postoperatief hadden patiënten die Dexmedetomidine toegediend kregen minder postoperatieve analgetica nodig en hadden ze lagere pijnscores terwijl een verlaagde incidentie van respiratoire depressies werd gezien. Ze konden ook eerder naar huis worden ontslagen. 45 40 Conclusies Niveau 2 Uit studies bleek dat wanneer Dexmedetomidine gebruikt werd als een deel van het anestheticabeleid, er een overall afname was in het gebruik van intraoperatieve analgetica en inhalatie anesthetica en dat de intra-operatieve hemodynamica verbeterde. Postoperatief hadden patiënten die Dexmedetomidine toegediend kregen minder postoperatieve analgetica nodig en hadden ze lagere pijnscores, terwijl een verlaagde incidentie van respiratoire depressies werd gezien. Bronnen: (Brown, 2012; Dholakia, 2007) Overwegingen Alle opiaten hebben hun bijwerking op de ademhaling, darmmotiliteit en misselijkheid. 5 In de morbide obese patiënt is vooral het risico op ademhalingsproblemen verhoogd (apneu, desaturatie, hypoxie). Het postoperatief gebruik van opiaten dient daarom zo laag mogelijk te zijn om postoperatieve hypoxie, misselijkheid en ileus te voorkomen. Momenteel is onder experts de discussie of opiaten überhaupt wel gebruikt moeten worden na bariatrische 10 chirurgie en of alleen het toepassen van een loco-regionale techniek niet voldoende is, naast een multimodale techniek. In de huidige literatuur wordt geadviseerd om multimodale technieken toe te passen die aangrijpen op verschillende niveaus. Meestal wordt een opiaatsparend multimodale 15 analgesietechniek gebruikt bestaande uit paracetamol (oraal of veneus) en een opiaat in een zo laag mogelijke dosering, eventueel met toevoeging van een α-2 agonist, zoals Dexmedetomidine of S-Ketamine. Epidurale pijnbestrijding is superior ten opzichte van opiaten intraveneus. Wanneer PCA wordt toegepast wordt geadviseerd geen onderhoudsdosering toe te passen en de tijdslimieten en bolus dosering zo aan te passen dat 20 er een minimale kans is op sufheid, ademdepressie en misselijkheid. Aanbevelingen Mogelijkheden van postoperatieve pijnstilling zijn: 25  paracetamol 1 gram per keer, vier tot zesmaal daags;  NSAID gebruik wordt in het algemeen afgeraden vanwege hun bijwerkingen;  morfine intraveneus met behulp van PCA, waarbij de instelling van de pomp per kliniek varieert, maar er in het algemeen wordt geadviseerd geen achtergrondinfuus met Morfine te gebruiken. 30  CAVE: de morbide obese patiënt met snurken, apneu en OSAS in de VG >kans op
postoperatieve hypoxie.
Postoperatieve saturatiemeting wordt aanbevolen bij patiënten die gebruik maken van
opiaten en/of bekend zijn met OSAS/OHS epiduraal anesthesie op het niveau T7 tot 8 of T8
35 tot 9, bestaande uit een mix van een lokaal anestheticum met een opiaat in lage
concentratie. Eventueel zonder opiaat indien patiënt bekend is met ernstig OSAS.
41
Toepassen van multimodale therapie met bijvoorbeeld Dexmedetomidine in een dosis van
0,2 tot 0,4 mcg/kg/min en/of S-Ketamine met bolus- en continueinfusie van 2 tot 2,5
mcg/kg/min.
5
Gebruik maken van de “Oslo methode” waarbij peroperatief, vooraf aan de introductie van
de trocars, de huid tot het met het peritoneum wordt verdoofd met een lokaal anestheticum
(Bupivacaïne 0,5% + Adrenaline, volgens de “ Oslo methode”, maar cave de toxiciteit).
10 Ropivacaïne 0,2% of Bupivacaïne 0,25% zouden goede alternatieven moeten zijn. Dit kan
onder zicht gebeuren, nadat de videoscoop is ingebracht. Dit naast multimodale pijntherapie.
Literatuur
15 Bellorin, O., Abdemur, A., Sucandy, I., Szomstein, S., & Rosenthal, R.J. (2011). Understanding the Significance, Reasons
and Patterns of Abnormal Vital Signs after Gastric Bypass Surgery for Morbid Obesity. Obes Surg, 21, 707-713.
Block, B.M., Liu, S.S., Rowlington, A.J., Cowan, A.R., Cowan, J.A. Jr., & Wu, C.L. (2003). Efficacy of Postoperative Epidural
Analgesia: A Meta-Analyses. JAMA, 290, 2455-2463.
Brown, E., Oswald, K., MS, CRNA, & Pellegrini, J. (2012). Dexmedetomidine in Bariatric Surgery: A Useful Opioid
20 Adjunct? An Evidence-Based Review. Bariatric Nursing and Surgical Patient Care., 10, 1089.
Chargi, R., Backman, S., & Christou, N., (2003). Patient Controlled i.v. Analgesia is an Acceptable Pain Management
Strategy in Morbidly Obese Patients Undergoing Gastric Bypass Surgery. A Retrospective Comparison with
Epidural Analgesia. Can J Aneaesth, 50, 672-678.
Dholakia, C., Beverstein, G., Garren, M., Nemergut, C., Boncyk, J., & Gould, J.C. (2007). The impact of perioperative
25 dexmedetomidine infusion on postoperative narcotic use and duration of stay after laparoscopic bariatric surgery.
J Gastrointest Surg., 11, 1556-1559.
Elia, N., Lysakowski, C., & Tramer, M.R. (2005). Does Multimodal Analgesia with Acetaminophen, Non-Stereroidal
Antiinflammatory Drugs, or Selective Cyclooxygenase-2 Inhibitors and Patient Controlled Analgesia Morphine
Offer Advantages over Morphine Alone? Meta-Analyses of randomized Trials. Anesthesiology, 103, 1296-1304.
30 El-Labban, G.M., Hokkam, E.N., El-Labban, M.A., Morsy, K., Saadl, S., & Heissam, K.S. (2011). Intraincisional vs
Intraperitoneal Infiltration of Local Anaesthetic for Controlling Early Post-Laparoscopic Cholecystectomy Pain. J
Minim Access Surg., 7 (3), 173-7.
Govindarajan, R., Ghosh, B., Sathyamoorthy, M.K., Kodali, N.S., Raza, A., Aronsohn, J., … Abadir, A. (2005). Efficacy of
Keterolac in lieu of narcotics in the operative management of laparoscopic surgery for morbid obesity. Surgery for
35 Obesity and Related diseases., 1, 530-536.
Gupta, A. (2005). Local Anaesthesia for Pain Relief after Laparoscopic Cholecystectomy: A Systematic Review. Best
Pract Res Clin Anaesthesiol., 19 (2), 275-92.
Jones, R., Rubin, G., Berenbaum, F., & Scheiman, J. (2008). Gastrointestinal and Cardiovascular Risks of Non Steroidal
Anti-Inflammatory Drugs. Am J Med, 121, 464-474.
40 Jørgensen, H., Wetterslev, J., Møiniche, S., & Dahl, J.B. (2004). Epidural Local Anaesthetics versus Opioid-Based
Analgesic Regimens on Postoperative Gastrointestinal Paralysis, PONV and Pain after Abdominal Surgery.
Cochrane Database Syst Rev, 4.
Kaba, A., Laurent, S.R., Detroz, B.J., Sessler, D.I., Durieux, M.E., Lamy, M.L., & Joris, J.L. (2007). Intravenous Lidocaine
Infusion Facilitates Acute Rehabilitation After Laparoscopic Colectomy. Anesthesiology, 106 (1), 11-18.
45 Levin, A., Klein, S.L., Broline, R.E., & Pitchford, D.E. (1992). Patient Controlled Analgesia for Morbidly Obese Patients: an
Effective Modality if Used Correctly. Anesthesiology, 76, 857-858.
Macintyre, P.E., & Jarvis, D.A. (1996). Age is the Best Predictor of Postoperative Morphine Requirements. Pain, 64, 357-
364.
Manion, S.C., & Brennan, T.J. (2001). Thoracic Epidural Analgesia and Acute Pain Management. Anesthesiology, 115,
50 181-188.
Marret, E., Rolin, M., Beaussier, M., & Bonnet, F. (2008). Meta-analysis of Intravenous Lidocaine and Postoperative
Recovery after Abdominal Surgery. Br J Surg., 95 (11), 1331-8.
McCarthy, G.C., Megalla, S.A., & Habib, A.S. (2010). Impact of Intravenous Surgery: A Systematic Review of
Randomized Controlled Trials. Drugs., 18, 70 (9), 1149-63.
42
Pøpping, D.M., Wenk, M., & Schug, S.A. (2012). What is the Role of Analgesic Adjuncts in Obese Patients? In Leukin, Y.,
& Brodsky, J.B., Controversies in the Management of the Obese Surgical Patient, (p. 261-267). USA: Springer.
Sasse, K.C., Ganser, J., Kozar, M., Watson, R.W., McGinley, L., Lim, D., … Bovee, V. (2008). Seven Cases of Gastric
Perforation in Roux-en-Y Gastric Bypass Patients: What Lessons Can We Learn? Obes Surg, 18, 530-534.
Schumann, R., Shikora, S., Weiss, J.M., Wurm, H., Strassels, S., & Carr, D.B. (2003). A Comparison 5 of Multimodal
Perioperative Analgesia to Epidural Pain Management After Gastric Bypass Surgery. Pain Medicine, 96, 496-74.
Ungern-Sternberg, B.S. von, Regli, A., Reber, A., & Schneider, M.C. (2005). Effect of Obesity and Thoracic epidural
Analgesia on Perioperative Spirometry. Br J Anaesth, 94, 121-127.
Visser, E., & Schug, S.A. (2006). The Role of Ketamine in Pain Management. Biomed Pharmacother, 60, 341-348.
10 Weingarten, T.N., Sprung, J., Flores, A., Baena, A.M., Schroeder, D.R., & Warner, D.O. (2011). Opioid Requirements
after Laparoscopic Bariatric Surgery. Obes Surg., 21 (9), 1407-12.
Werawatganon, T., & Charuluxanun, S. (2005). Patient Controlled Intravenous Opioid Analgesia versus Continuous
Epidural Analgesia for Pain after Intra-Abdominal Surgery. Cochrane Database Syst Rev, 25 (1).
Zakine, J., Samarq, D., Lorne, E., Moubarak, M., Montravers, P., Beloucif, S., & Dupont, H. (2008). Postoperative
15 Ketamine Administration Decreases Morphine Consumption in Major abdominal Surgery: A Prospective,
randomized Double-Blind Controlled Sudy. Anest Analg, 106, 1856-1861.
43
Hoofdstuk 6 Afdelingsbeleid
Uitgangsvraag:
Wat is het anesthesiologische postoperatieve beleid 5 op de afdeling?
Het postoperatieve beleid op de afdeling bestaat uit extra O2 toediening, met SaO2
bewaking bij patiënten met apneus/OSAS. Daarnaast wordt geprobeerd zo snel mogelijk de
patiënt te mobiliseren en de fysiotherapie in te schakelen. Er is geen literatuur over hoe lang
10 moet worden door gegaan met extra zuurstof voor de nacht en bewaking, tot zes uur na de
laatste opiatengift wordt geadviseerd. In het algemeen wordt gesteld dat indien de patiënt
mobiliseert en geen opiaten meer nodig heeft, de bewaking en extra zuurstof gestaakt
kunnen worden.
15 Regelmatige controle van de hemodynamische parameters op de verpleegafdeling, zoals
hartfrequentie, bloeddruk, ademfrequentie, pijnscore en temperatuur, zijn belangrijk om
vroegtijdige herkenning van naadlekkage en/of bloeding te herkennen en indien nodig om
actie te ondernemen (Ahmad et al., 2008) (zie hoofdstuk 5).
Het herstel van de patiënt is natuurlijk afhankelijk van het type ingreep (Gastric Banding,
20 Sleeve resectie, Gastric bypass), de duur van de ingreep, de anesthesietechniek en de mate
van postoperatieve pijn. In vele klinieken en vooral in de Scandinavische landen, wordt de
Gastric Bypass operatie uitgevoerd binnen een uur en kan de patiënt de volgende dag naar
huis. In andere ziekenhuizen duurt dezelfde ingreep vier uur en ligt de patiënt drie tot vijf
dagen in het ziekenhuis.
25 De snelheid van de operatie is ook bepalend voor de toe te passen anesthesietechniek en het
postoperatief pijnbeleid.
Indien uit het vooronderzoek van de morbide obese patiënt co-morbiditeit naar voren komt
die intensieve bewaking en behandeling noodzakelijk maakt, dient vooraf een IC/MC bed te
30 worden gereserveerd. Dit geldt eveneens voor een onverwacht moeizaam verlopen operatie
of anesthesie (Helling et al., 2004).
Aanbevelingen
Monitoring hemodynamische parameters op de afdeling is noodzakelijk om bij eventuele
35 complicaties (naadlekkage, bloeding) snel op te kunnen treden.
Patiënten met OHS/OSAS moeten postoperatief bewaakt worden met saturatiemeting als ze
nog in bed liggen en/of opiaten gebruiken voor minimaal zes uur na de laatste gift.
40 Voor patiënten die geen opiaten meer gebruiken, is de kans op respiratoire complicaties erg
klein.
Snel mobiliseren wordt aanbevolen om de kans op trombo-embolieën zo laag mogelijk te
houden.
44
Patiënten worden geadviseerd snel contact met het ziekenhuis of de huisarts te zoeken
indien plotselinge kortademigheid of pijn op de borst optreedt.
Een ervaren team die bekend is met de postoperatieve complicaties, zal vroegtijdig
complicaties opsporen en behandelen. Hierdoor zal er minder gebruik 5 worden gemaakt van
de Intensive Care.
Literatuur
10 Ahmad, S., Nagle, A., McCarthy, R.J., Fitzgerald, P.C., Sullivan, J.T., & Prystowsky, J. (2008). Postoperative hypoxemia in
morbidly obese patients with and without obstructive sleep apnea undergoing laparoscopic bariatric surgery.
Anesth Analg, 107 (1), 138-143.
Bellorin, O., Abdemur, A., Sucandy, I., Szomstein, S., & Rosenthal, R.J. (2011). Understanding the Significance, Reasons
and Patterns of Abnormal Vital Signs after Gastric Bypass Surgery for Morbid Obesity. Obes Surg, 21, 707-713.
15 Gross, J.B., Bachenberg, K.L., Benumof, J.L., Caplan, R.A., Connis, R.T., Coté, C.J., … American Society of
Anesthesiologists Task Force on Perioperative Management (2006). Practice Guidelines for the Perioperative
Management of Patients with Obstructive Sleep Apnea: a Report by the American Society of Anesthesiologists
Task Force on Perioperative Management of Patients with Obstructive Sleep Apnea. Anesthesiology, 104, 1081-
1093.
20 Helling, T.S., Willoughby, T.L., Maxfiels, D.M., & Ryan, P. (2004). Determinants of the need for Intensive Care and
Prolonged Mechanical Ventilation in Patients Undergoing Bariatric Surgery. Obes Surg, 14, 1036-1041.
Bijlage 1 Zoekverantwoording systematische literatuursearch
Onderwerp Data-base Zoektermen Aantal hits
Algemene search
Engels,
Nederlands
Medline (OVID)
2000-feb 2012
Cochrane
(Wiley) 2000-feb.
2012
Embase (Elsevier)
2000-feb. 2012
1 exp obesity/ or obesity, morbid/ (113657)
2 (obese or obesitas or adipos*).ti,ab. (102736)
3 (extreme* adj4 overweight).ti,ab. (93)
4 1 or 2 or 3 (169045)
5 exp *Bariatric Surgery/ (8851)
6 (Bariatric* adj5 Surg*).ti,ab. (4583)
7 5 or 6 (10571)
8 4 and 7 (7064)
9 exp *”anesthesia and analgesia”/ (131253)
10 (an?esthe** or analge*).ti,ab. (333122)
11 9 or 10 (369017)
14 complications.fs. (1435408)
15 adverse effects.fs. (1203117)
16 (complicat* or adverse).ti,ab. (817598)
17 14 or 15 or 16 (2945854)
18 13 and 17 (147)
19 “Preoperative evaluation of the adult patient undergoing non-cardiac surgery: guidelines from the
European Society of Anaesthesiology.”.m_titl. (1)
20 “Guidelines for pre-operative cardiac risk assessment and perioperative cardiac management in noncardiac
surgery”.m_titl. (2)
21 19 or 20 (3)
22 18 and 21 (0)
23 7 and 11 (538)
27 Intraoperative Complications/ (23596)
28 17 or 27 (2953526)
31 23 and 28 (332)
33 limit 31 to (english language and yr=”2006 -Current”) (159)
34 exp *Gastroenterostomy/ (4531)
35 6 or 34 (8109)
36 4 and 35 (5269)
37 11 and 36 (207)
38 28 and 37 (129)
39 limit 38 to (english language and yr=”2000 -2006″) (45)
40 33 or 39 (191)
265
46
#1 (bariatric surgery):ti,ab,kw
#2 MeSH descriptor Bariatric Surgery explode all trees
#3 MeSH descriptor Gastroenterostomy explode all trees
#4 MeSH descriptor Obesity explode all trees
#5 (obese or obesit* or adipos*):ti,ab,kw
#6 (#4 OR #5)
#7 (#3 AND #6), from 2000 to 2006
#8 (#1 OR #2)
#9 (#8), from 2000 to 2012
#10 (#7 OR #9)
#11 MeSH descriptor Anesthesia and Analgesia explode all trees
#12 (an?esthe** or analge*):ti,ab,kw
#13 (#11 OR #12)
#14 (#10 AND #13)
62 referenties,na ontdubbeling,40 referenties
. ‘bariatric surgery’/exp/mj OR (bariatric* NEAR/5 59 7 Feb 2012 surg*):ab,ti AND
(‘anesthesiological techniques’/exp/mj OR anesthe*:ab,ti OR anaeshesia:ab,ti OR analge*:ab,ti) AND
(complicat*:ab,ti OR adverse:ab,ti OR ‘peroperative complication’/exp/mj) AND [english]/lim AND
[2000-2012]/py AND ‘major clinical study’/exp OR (‘bariatric surgery’/exp/mj OR (bariatric* NEAR/5
surg*):ab,ti AND (‘anesthesiological techniques’/exp/mj OR anesthe*:ab,ti OR anaeshesia:ab,ti OR
analge*:ab,ti) AND (complicat*:ab,ti OR adverse:ab,ti OR ‘peroperative complication’/exp/mj) AND
[english]/lim AND [2000-2012]/py AND (‘clinical trial’/exp OR ‘randomization’/exp OR ‘single blind
procedure’/exp OR ‘double blind procedure’/exp OR ‘crossover procedure’/exp OR ‘placebo’/exp OR
‘prospective study’/exp OR rct:ab,ti OR random*:ab,ti OR ‘single blind’:ab,ti OR ‘randomised
controlled trial’:ab,ti OR ‘randomized controlled trial’/exp OR placebo*:ab,ti))
59 referenties, na ontdubbeling, 31 referenties
Antibiotica profylaxe
Engels,
Nederlands
Medline (OVID)
2000-juli 2012
1 exp *Bariatric Surgery/ (9521)
2 (Bariatric* adj5 Surg*).ti,ab. (5083)
3 “22566018”.ui. (1)
4 (“Gastric banding surger*” or “Roux-en-Y”).ti,ab. (4920)
5 1 or 2 or 4 (14006)
6 obesity, morbid/ or (morbid adj3 (obese or obesit* or adipos*)).ti,ab. or (extreme* adj4
overweight).ti,ab. (11479)
7 surgery.fs. or surgery.ti,ab. (1771104)
8 6 and 7 (8358)
9 5 or 8 (16530)
133
47
Embase (Elsevier)
2000-juli 2012
14 Antibiotic Prophylaxis/ (7651)
15 (Antibiotic* adj3 Prophyla*).ti,ab. (10655)
16 exp Anti-Bacterial Agents/ (489498)
17 Surgical Wound Infection/pc [Prevention & Control] (10038)
18 or/14-17 (501927)
19 9 and 18 (140)
20 limit 19 to (yr=”2000 -Current” and (dutch or english)) (88), na ontdubbeling 87
bariatric surgery’/exp/mj OR (bariatric* NEAR/5 surg*):ab,ti OR (‘gastric banding’ NEAR/3 surger*):ab,ti OR
‘roux-en-y’:ab,ti OR (‘morbid obesity’/exp/mj OR (morbid NEAR/3 (obese OR obesit* OR adipos*)):ab,ti OR
(extreme* NEAR/3 overweight):ab,ti AND (surgery:lnk OR surgery:ab,ti)) AND (‘antibiotic
prophylaxis’/exp/mj OR ‘antiinfective agent’/exp/mj OR ‘surgical infection’/exp/mj/dm_pc OR (antibiotic*
NEAR/3 prophyla*):ab,ti) AND ([dutch]/lim OR [english]/lim) AND [embase]/lim AND [2000-2013] – 67
referenties, 46 uniek
Postoperatieve
pijnbestrijding
Engels,
Nederlands
Medline (OVID)
2000-juli 2012
Embase (Elsevier)
2000-juli 2012
1 exp *Bariatric Surgery/ (9521)
2 (Bariatric* adj5 Surg*).ti,ab. (5083)
3 “22566018”.ui. (1)
4 (“Gastric banding surger*” or “Roux-en-Y”).ti,ab. (4920)
5 1 or 2 or 4 (14006)
6 obesity, morbid/ or (morbid adj3 (obese or obesit* or adipos*)).ti,ab. or (extreme* adj4
overweight).ti,ab. (11479)
7 surgery.fs. or surgery.ti,ab. (1771104)
8 6 and 7 (8358)
9 5 or 8 (16530)
10 exp analgesics/ or exp anesthetics, local/ or (an?esthe** or analge*).ti,ab. (732624)
11 Pain/pc [Prevention & Control] (9154)
12 10 or 11 (737174)
13 postoperative.ti,ab. (272854)
14 Postoperative Care/ (49529)
15 Postoperative Period/ (30358)
16 13 or 14 or 15 (323780)
17 12 and 16 (40731)
18 Pain, Postoperative/pc [Prevention & Control] (7200)
19 17 or 18 (44048)
20 9 and 19 (336)
21 A comparison of multimodal perioperative analgesia to epidural pain management after gastric bypass
surgery.m_titl. (1)
22 (Impact of intravenous lidocaine infusion on postoperative analgesia and recovery from surgery: a
83
48
systematic review of randomized controlled trials).m_titl. (1)
23 (Meta-analysis of intravenous lidocaine and postoperative recovery after abdominal surgery).m_titl. (1)
24 21 or 22 or 23 (3)
25 zoekfilter1 SR (6)
26 zoekfilter1 RCT (72)
27 limit 26 to (yr=”2000 -Current” and (dutch or english)) – (60)
(‘bariatric surgery’/exp/mj OR (bariatric* NEAR/5 surg*):ab,ti OR (‘gastric banding’ NEAR/3 surger*):ab,ti OR
‘roux-en-y’:ab,ti OR (‘morbid obesity’/exp/mj OR (morbid NEAR/3 (obese OR obesit* OR adipos*)):ab,ti OR
(extreme* NEAR/3 overweight):ab,ti AND (surgery:lnk OR surgery:ab,ti))) AND (‘analgesic agent’/exp/mj OR
‘local anesthetic agent’/exp/mj OR ((anesthe* OR anaesthe* OR analge*) NEAR/3 agent*):ab,ti AND [2000-
2013]/py OR (‘pain’/exp/mj/dm_pc AND [2000-2013]/py) OR (‘postoperative pain’/exp/mj/dm_pc AND
[2000-2013]/py)) AND ([dutch]/lim OR [english]/lim) AND [embase]/lim AND [2000-2013]/py
1 SR, 25 RCT, 17 uniek
Veneuze trombo-embolie
(preventie)
Engels,
Nederlands
Medline (OVID)
2000-juli 2012
Embase (Elsevier)
2000-juli 2012
1 exp *Bariatric Surgery/ (9521)
2 (Bariatric* adj5 Surg*).ti,ab. (5083)
4 (“Gastric banding surger*” or “Roux-en-Y”).ti,ab. (4920)
5 1 or 2 or 4 (14006)
6 obesity, morbid/ or (morbid adj3 (obese or obesit* or adipos*)).ti,ab. or (extreme* adj4
overweight).ti,ab. (11479)
7 surgery.fs. or surgery.ti,ab. (1771104)
8 6 and 7 (8358)
9 5 or 8 (16530)
39 *”Venous Thromboembolism”/ (2643)
40 (“Venous Thromboembolism*” or VTE).ti,ab. (9975)
41 exp *Pulmonary Embolism/ (20700)
42 (“Pulmonary Embolism*” or “pulmonary thromboembolism*”).ti,ab. (22166)
43 39 or 40 or 41 or 42 (37392)
44 9 and 43 (270)
48 limit 44 to (english language and yr=”2000 -Current”) (220)
49 37 and 48 (11) – zoekfilter SR
71 44 and 70 (28) – zoekfilter RCT
73 exp epidemiological studies/ (1435401)
74 registries/ (45298)
75 73 or 74 (1464208)
76 44 and 75 (133)
77 71 or 76 (142)
78 77 not 49 (138)
79 limit 78 to (yr=”2000 -Current” and (dutch or english)) (115) – 114 uniek
171
49
bariatric surgery’/exp/mj OR (bariatric* NEAR/5 surg*):ab,ti OR (‘gastric banding’ NEAR/3 surger*):ab,ti OR
‘roux-en-y’:ab,ti OR (‘morbid obesity’/exp/mj OR (morbid NEAR/3 (obese OR obesit* OR adipos*)):ab,ti OR
(extreme* NEAR/3 overweight):ab,ti AND (surgery:lnk OR surgery:ab,ti)) AND (‘venous
thromboembolism’/exp/mj OR ‘lung embolism’/exp/mj OR (venous NEAR/3 thromboembolism*):ab,ti OR
vte:ab,ti OR (pulmonary NEAR/3 embolism*):ab,ti OR (pulmonary NEAR/3 thromboembolism*):ab,ti) AND
[english]/lim AND [embase]/lim AND [2000-2013]/py
SR (12), RCT’s (49) (filter) en major clinical studies (samen 103)
Na ontdubbeling: 46 referenties
1 Filters voor systematische reviews en randomised controlled trials zijn afgeleid van de filters van het Scottish Intercollegiate Guideline Network
(http://www.sign.ac.uk/methodology/filters.html)